Strafrecht overig

Poging tot doodslag op toenmalige buurvrouw door twee maal met een bijl tegen haar hoofd te slaan. HR: art…

Zaakgegevens

Op 30 augustus 2016 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30 augustus 2016
Datum publicatie
30 augustus 2016
Zaaknummer
15/01284
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2016:2009
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Poging tot doodslag op toenmalige buurvrouw door twee maal met een bijl tegen haar hoofd te slaan. HR: art. 80a RO, zonder schriftelijk standpunt AG.

Procesgang

  1. Rechtbank Limburg · 14 april 2014

    ECLI:NL:RBLIM:2014:3623
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 26 januari 2015

    ECLI:NL:GHSHE:2015:156

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  3. Hoge Raad · 30 augustus 2016deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2016:2009

    Niet ontvankelijk

Uitspraak

Inhoudsopgave

30 augustus 2016

Strafkamer

nr. S 15/01284

KD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 26 januari 2015, nummer 20/001395-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 augustus 2016.