Strafrecht overig
Profijtontneming. 2. Redelijke termijn in h.b. 1. Redelijke termijn in cassatiefase. Ad 2. Het hof heeft…
ECLI:NL:HR:2016:2055 · Hoge Raad · 13 september 2016
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2016-2055
Zaakgegevens
Op 13 september 2016 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 13 september 2016
- Datum publicatie
- 13 september 2016
- Zaaknummer
- 15/00101
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2016:2055
Samenvatting
Profijtontneming. 2. Redelijke termijn in h.b. 1. Redelijke termijn in cassatiefase. Ad 2. Het hof heeft i.s.m. art. 359.2 Sv niet i.h.b. de redenen opgegeven die hebben geleid tot afwijking van een uos m.b.t. de overschrijding van de redelijke termijn in h.b. De HR doet de zaak om doelmatigheidsredenen zelf af door vast te stellen dat de redelijke termijn is overschreden en de opgelegde betalingsverplichting te verminderen. Ad 1. Constatering overschrijding redelijke termijn in de cassatiefase. De compensatie wordt door de HR zelf toegepast in de samenhangende hoofdzaak. Samenhang met 15/00098.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 14 juni 2016
ECLI:NL:PHR:2016:822Hoge Raad · 13 september 2016deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2016:2055
Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
Inhoudsopgave
13 september 2016
Strafkamer
nr. S 15/00101 P
AJ/SG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 31 december 2014, nummer 21/003819-12, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting, tot vermindering van het bedrag en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van het tweede middel
Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake de overschrijding van de redelijke termijn.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 december 2014 heeft de raadsman van de betrokkene aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de bij het proces-verbaal gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer het volgende in:
"Subsidiair is de verdediging van oordeel dat de redelijke termijn is geschonden. Het hoger beroep in de ontnemingszaak is op 12 september 2012 ingesteld, terwijl pas op zijn vroegst op 31 december 2014 uitspraak zal worden gedaan. Dit dient te leiden tot vermindering van het eventuele ontnemingsbedrag."
Het Hof is in zijn arrest van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken, maar heeft, in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv niet in het bijzonder de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid. Dat verzuim heeft ingevolge art. 359, achtste lid, Sv nietigheid tot gevolg.
Het middel is gegrond.
De Hoge Raad zal de zaak om doelmatigheidsredenen zelf afdoen. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat, nu het hoger beroep is ingesteld op 12 september 2012 en door het Hof uitspraak is gedaan op 31 december 2014, de redelijke termijn van berechting als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM bij de behandeling van de zaak in hoger beroep is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting van € 83.314,90.
3 Beoordeling van het eerste middel
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
Het middel is gegrond. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak, welke in cassatie aanhangig is onder nr. 15/00098, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. De compensatie tot welke de overschrijding van de redelijke termijn moet leiden, zal worden toegepast in de hoofdzaak.
Gelet hierop is er geen aanleiding om in de onderhavige zaak aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.
4 Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5 Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
vermindert deze in die zin dat de hoogte daarvan € 79.149,- bedraagt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 september 2016.