Strafrecht overig

Poging tot doodslag. Schieten op woonwagen. 1. Falende klacht over tegenstrijdigheid onderdeel van ’s Hofs…

Zaakgegevens

Op 12 december 2017 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12 december 2017
Datum publicatie
12 december 2017
Zaaknummer
15/03210
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2017:3113
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Poging tot doodslag. Schieten op woonwagen. 1. Falende klacht over tegenstrijdigheid onderdeel van ’s Hofs bewijsoverweging inhoudende dat de ‘gezamenlijke verklaring’ van A en B niet voor het bewijs wordt gebruikt, terwijl die verklaring niettemin tot het bewijs is gebezigd. 2. Falende bewijsklacht opzet. HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 31 oktober 2017

    ECLI:NL:PHR:2017:1336
  2. Hoge Raad · 12 december 2017deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2017:3113

    Conclusie gevolgd

Uitspraak

Inhoudsopgave

12 december 2017

Strafkamer

nr. S 15/03210

MAA/CB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 juni 2015, nummer 20/001525-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de duur van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

2.2.

Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van tien jaren.

3 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze negen jaren en zes maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-presidentW.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 december 2017.