Strafrecht overig

(Poging tot) afpersing in vereniging. Uos m.b.t. betrouwbaarheid verklaring aangever. HR: art. 80a RO…

Zaakgegevens

Op 3 juli 2018 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
3 juli 2018
Datum publicatie
2 juli 2018
Zaaknummer
17/01225
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2018:1066
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

(Poging tot) afpersing in vereniging. Uos m.b.t. betrouwbaarheid verklaring aangever. HR: art. 80a RO. Samenhang met 17/01374.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 27 maart 2018

    ECLI:NL:PHR:2018:722
  2. Hoge Raad · 3 juli 2018deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2018:1066

Uitspraak

Inhoudsopgave

3 juli 2018

Strafkamer

nr. S 17/01225

KD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 28 februari 2017, nummer 22/002629-16, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft F.J.E. Hogewind, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in het bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juli 2018.