Strafrecht overig
Opzettelijk aanwezig hebben van heroïne. Verbeurdverklaring inbeslaggenomen geldbedrag, art. 33a Sr. Hof…
ECLI:NL:HR:2018:17 · Hoge Raad · 9 januari 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2018-17
Zaakgegevens
Op 9 januari 2018 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 9 januari 2018
- Datum publicatie
- 9 januari 2018
- Zaaknummer
- 16/03274
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2018:17
Samenvatting
Opzettelijk aanwezig hebben van heroïne. Verbeurdverklaring inbeslaggenomen geldbedrag, art. 33a Sr. Hof heeft geoordeeld dat het geldbedrag geheel of grotendeels d.m.v. het bewezenverklaarde is verkregen. Dit oordeel is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk, in aanmerking genomen dat ten laste van verdachte is bewezenverklaard het aanwezig hebben van verdovende middelen. Volgt vernietiging wat betreft strafoplegging.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 5 december 2017
ECLI:NL:PHR:2017:1403Hoge Raad · 9 januari 2018deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2018:17
Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
Inhoudsopgave
9 januari 2018
Strafkamer
nr. S 16/03274
EC/NA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 14 juni 2016, nummer 22/005577-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3 Beoordeling van het tweede middel
Het middel klaagt dat de verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geldbedrag onvoldoende met redenen is omkleed.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij op 13 maart 2015 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 2678,93 gram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I."
Het Hof heeft ten aanzien van de verbeurdverklaring het volgende overwogen:
"Beslag
Ten aanzien van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp (geldbedrag) zoals dit vermeld is onder 2 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, zal het hof de verbeurdverklaring gelasten, nu dit geheel of grotendeels door middel van het bewezen verklaarde is verkregen, gelet op het gegeven dat het hof heeft vastgesteld dat het ging om een handelshoeveelheid heroïne.
Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
(...)
Beslissing
Het hof:
(...)
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp onder 2 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, te weten: een bedrag van € 1.832,-."
Blijkens zijn hiervoor onder 3.3 weergegeven overwegingen heeft het Hof geoordeeld dat het in het middel genoemde geldbedrag geheel of grotendeels door middel van het bewezenverklaarde is verkregen. Dit oordeel is, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat ten laste van de verdachte is bewezenverklaard - kort gezegd - het aanwezig hebben van verdovende middelen. De bestreden uitspraak is in zoverre niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
Het middel slaagt.
4 Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5 Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 januari 2018.