Strafrecht overig

Niet beslist op aanhoudingsverzoek van niet gemachtigde raadsman? HR: art. 80a RO. CAG: Hof heeft aangevoerde…

Zaakgegevens

Op 9 januari 2018 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
9 januari 2018
Datum publicatie
10 januari 2018
Zaaknummer
16/06175
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2018:30
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Niet beslist op aanhoudingsverzoek van niet gemachtigde raadsman? HR: art. 80a RO. CAG: Hof heeft aangevoerde kennelijk opgevat als verzoek tot toepassing van het aan het niet naleven van art. 588a Sv verbonden rechtsgevolg (schorsing onderzoek ttz. teneinde verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek ttz. tegenwoordig te zijn).

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 5 december 2017

    ECLI:NL:PHR:2017:1413
  2. Hoge Raad · 9 januari 2018deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2018:30

    Conclusie gevolgd

Uitspraak

Inhoudsopgave

9 januari 2018

Strafkamer

nr. S 16/06175

NA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 8 april 2016, nummer 20/001671-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.


3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 januari 2018.