Strafrecht overig
Rechtsbijstand door de voorkeursadvocaat. Bewijsuitsluiting. Art. 359a Sv. In ’s Hofs overwegingen ligt als…
ECLI:NL:HR:2018:437 · Hoge Raad · 27 maart 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2018-437
Zaakgegevens
Op 27 maart 2018 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 27 maart 2018
- Datum publicatie
- 27 maart 2018
- Zaaknummer
- 16/04407
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2018:437
Samenvatting
Rechtsbijstand door de voorkeursadvocaat. Bewijsuitsluiting. Art. 359a Sv. In ’s Hofs overwegingen ligt als diens oordeel besloten dat het in het middel bedoelde verweer inhield dat sprake is van een vormverzuim a.b.i. art. 359a Sv en dat zulks tot bewijsuitsluiting dient te leiden. Reeds omdat uit niets blijkt dat bij de behandeling van de zaak door of namens verdachte iets is aangevoerd over het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het daardoor veroorzaakte nadeel, heeft het Hof het verweer zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk verworpen. Volgt verwerping.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 6 februari 2018
ECLI:NL:PHR:2018:88Hoge Raad · 27 maart 2018deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2018:437
Uitspraak
Inhoudsopgave
27 maart 2018
Strafkamer
nr. S 16/04407
LBS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 13 april 2016, nummer 22/002339-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft E. Tamas, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van het eerste middel
Het middel komt op tegen de verwerping van een tot bewijsuitsluiting strekkend verweer, inhoudende dat "er geen gehoor is gegeven aan het verzoek van de verdachte om rechtsbijstand van zijn voorkeursadvocaat".
Het Hof heeft het in het middel bedoelde door de raadsman van de verdachte gevoerde verweer als volgt samengevat en verworpen:
"Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman betoogd - zakelijk weergegeven - dat er sprake is van schending van artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, nu er geen gehoor is gegeven aan het verzoek van de verdachte om rechtsbijstand van zijn voorkeursadvocaat. De verdediging heeft zich in dit kader beroepen op een uitspraak van het Europees hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) van 20 oktober 2015 (Dvorski tegen Kroatië). Als er geen pogingen zijn gedaan de voorkeursadvocaat in te schakelen is er volgens het EHRM sprake van strijd met het recht op een eerlijk proces. De schending dient ertoe te leiden dat de bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte van het bewijs wordt uitgesloten, met als gevolg vrijspraak van de verdachte ter zake van het ten laste gelegde.
Het hof overweegt als volgt. Blijkens pagina 17 van het dossier, betreffende een verklaring optreden strafpiket, heeft de verdachte voorafgaand aan zijn verhoor bij de politie consultatiebijstand gehad van mr. A.M. van Bremen. Gesteld noch gebleken is dat de rechtsbijstand door mr. Van Bremen niet effectief is geweest. Het hof stelt aldus vast dat de verdachte niet verstoken is geweest van rechtsbijstand. Voorts stelt het hof vast dat in het procesdossier geen aanknopingspunten te vinden zijn voor de stelling van de raadsman dat geen pogingen zijn gedaan om gehoor te geven aan het verzoek van de verdachte om rechtsbijstand door mr. Tamas. Het verweer wordt verworpen."
In de hiervoor onder 2.2 weergegeven overwegingen van het Hof ligt als diens oordeel besloten dat het in het middel bedoelde verweer inhield dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv en dat zulks tot bewijsuitsluiting dient te leiden. Reeds omdat uit niets blijkt dat bij de behandeling van de zaak door het Hof door of namens de verdachte iets is aangevoerd over het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het daardoor veroorzaakte nadeel, heeft het Hof het verweer zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk verworpen.
Het middel is tevergeefs voorgesteld.
3 Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 maart 2018.