Strafrecht overig
Verkrachting (meermalen gepleegd) in 1992, art. 242 Sr. Oplegging betalingsverplichting als bijzondere…
ECLI:NL:HR:2019:1474 · Hoge Raad · 1 oktober 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2019-1474
Zaakgegevens
Op 1 oktober 2019 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 1 oktober 2019
- Datum publicatie
- 30 september 2019
- Zaaknummer
- 18/04307
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2019:1474
Samenvatting
Verkrachting (meermalen gepleegd) in 1992, art. 242 Sr. Oplegging betalingsverplichting als bijzondere voorwaarde. Staat aan stellen van bijzondere voorwaarde dat verdachte door strafbare feiten veroorzaakte schade vergoedt a.b.i. art. 14c.2.1 Sr, in de weg staat dat rechtsvorderingen van b.p. tot vergoeding van deze schade vanwege verjaring niet opeisbaar zijn? Opvatting dat stellen van bijzondere voorwaarde dat (gehele of gedeeltelijke) vergoeding van door strafbaar feit veroorzaakte schade a.b.i. art. 14c.2.1 Sr afhankelijk is gesteld van opeisbaarheid van vorderingsrecht van b.p., vindt geen steun in het recht (vgl. ECLI:NL:HR:2019:793). Volgt verwerping.
Procesgang
Rechtbank Amsterdam · 28 juli 2016
ECLI:NL:RBAMS:2016:5043Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 6 juni 2018
ECLI:NL:GHARL:2018:5276(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 9 juli 2019
ECLI:NL:PHR:2019:982Hoge Raad · 1 oktober 2019deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2019:1474
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 18/04307
Datum 1 oktober 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 6 juni 2018, nummer 21/004437-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955,
hierna: de verdachte.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C.W. Noorduyn, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van het derde middel
Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat aan het stellen van de bijzondere voorwaarde dat de verdachte de door de strafbare feiten veroorzaakte schade vergoedt als bedoeld in art. 14c, tweede lid aanhef en onder 1°, Sr, niet in de weg staat dat de rechtsvorderingen van de benadeelde partijen tot vergoeding van deze schade vanwege verjaring niet opeisbaar zijn.
Het Hof heeft de verdachte ter zake van 1. “verkrachting, meermalen gepleegd” en 2. “verkrachting, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaren, waarvan een jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Het dictum van de bestreden uitspraak houdt voorts, voor zover hier van belang, het volgende in:
“Stelt als bijzondere voorwaarde:
Veroordeelde dient, na het onherroepelijk worden van het arrest, binnen de proeftijd te betalen aan:
- [slachtoffer 1]: € 4.980,00 (vierduizend negenhonderdtachtig euro) en
- [slachtoffer 2] € 6.095,58 (zesduizend vijfennegentig euro en achtenvijftig cent).”
Het Hof heeft de opgelegde straf, voor zover in cassatie van belang, als volgt gemotiveerd:
“Het hof acht van belang dat de door de slachtoffers geleden schade door verdachte wordt vergoed. Doordat de vorderingen van de benadeelde partijen verjaard zijn, en ook oplegging van de schadevergoedingsmaatregel niet mogelijk is gelet op de pleegdatum van de feiten, ziet het hof geen andere mogelijkheid dan het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel met als bijzondere voorwaarde dat verdachte de geleden schade aan beide slachtoffers dient te vergoeden. Artikel 14c lid 2 van het Wetboek van Strafrecht voorziet in deze mogelijkheid. De hoogte van de bedragen is niet door de verdediging betwist, hoewel de mogelijkheid van een bijzondere voorwaarde gelet op het vonnis van de rechtbank en hetgeen de benadeelde partijen ter zitting in hoger beroep naar voren hebben gebracht evident was. Het hof gaat daarom uit van de volledige, door de slachtoffers opgegeven schadebedragen.”
Art. 14c, tweede lid aanhef en onder 1°, Sr luidde ten tijde van het bewezenverklaarde:
“Bij toepassing van artikel 14a kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld:
1° gehele of gedeeltelijke vergoeding van de door het strafbare feit veroorzaakte schade binnen een door de rechter te bepalen termijn, korter dan de proeftijd.”
Art. 14c, tweede lid aanhef en onder 1°, Sr luidt thans:
“Bij toepassing van artikel 14a kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, dan wel binnen een door de rechter te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd, heeft te voldoen:
1° gehele of gedeeltelijke vergoeding van de door het strafbare feit veroorzaakte schade.”
Het middel berust op de opvatting dat het stellen van de bijzondere voorwaarde dat (gehele of gedeeltelijke) vergoeding van de door het strafbare feit veroorzaakte schade als bedoeld in art. 14c, tweede lid aanhef en onder 1°, Sr afhankelijk is gesteld van de opeisbaarheid van het vorderingsrecht van de benadeelde. Die opvatting vindt echter geen steun in het recht (vgl. – ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr – HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rov. 2.9.2).
Het middel faalt.
3 Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 oktober 2019.