Strafrecht overig

Poging moord in café in Breda, meermalen gepleegd (art. 289 Sr), voorhanden hebben gaspistool (art. 26.1 WWM)…

Zaakgegevens

Op 8 oktober 2019 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
8 oktober 2019
Datum publicatie
9 oktober 2019
Zaaknummer
17/05422
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2019:1557
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Poging moord in café in Breda, meermalen gepleegd (art. 289 Sr), voorhanden hebben gaspistool (art. 26.1 WWM) en bedreiging, meermalen gepleegd (art. 285.1 Sr). Bewijsklacht poging moord. Kan opzet op dood uit gebezigde b.m. worden afgeleid? HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 19 februari 2015

    ECLI:NL:RBZWB:2015:1610
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 26 oktober 2017

    ECLI:NL:GHSHE:2017:4631

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  3. Conclusie A-G · 2 juli 2019

    ECLI:NL:PHR:2019:705
  4. Hoge Raad · 8 oktober 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2019:1557

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 17/05422

Datum 8 oktober 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 26 oktober 2017, nummer 20/000696-15, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Procureur-Generaal J. Silvis heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, en tot strafvermindering in de mate die de Hoge Raad goeddunkt, met verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2

Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van acht jaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze zeven jaren en zes maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 oktober 2019.