Strafrecht overig
Witwassen door bij aankomst op vliegveld in Eindhoven herkomst van geldbedrag te verhullen, art. 420bis.1.a…
ECLI:NL:HR:2019:1592 · Hoge Raad · 5 november 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2019-1592
Zaakgegevens
Op 5 november 2019 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 5 november 2019
- Datum publicatie
- 15 oktober 2019
- Zaaknummer
- 18/00965
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2019:1592
Samenvatting
Witwassen door bij aankomst op vliegveld in Eindhoven herkomst van geldbedrag te verhullen, art. 420bis.1.a Sr. Schending art. 353.1 Sv door geen beslissing te nemen t.a.v. inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedrag? Onder verdachte is ex art. 94 Sv geldbedrag van € 37.350,- in beslaggenomen, terwijl Hof aan verdachte o.m. geldboete heeft opgelegd van € 37.350,- en in dat verband heeft overwogen dat het aan verdachte geldboete oplegt “ter hoogte van het onder hem in beslag genomen bedrag”. Gelet hierop moet bestreden uitspraak aldus worden begrepen dat Hof geldboete van € 37.350,- heeft opgelegd met het oog op mogelijkheid van verhaal van die boete op inbeslaggenomen geldbedrag. A.g.v. kennelijke misslag heeft Hof echter niet vermeld dat het teruggave gelast van dat geldbedrag aan verdachte. HR verstaat bestreden uitspraak aldus dat Hof teruggave heeft gelast van inbeslaggenomen geldbedrag van € 37.350,- aan verdachte. HR merkt nog op dat deze beslissing niet uitsluit dat een terug te geven bedrag kan worden verrekend met een te betalen geldboete. CAG (anders t.a.v. wijze van afdoening): Klacht over beslissingsverzuim is gegrond maar geen cassatie bij gebrek aan belang.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 3 september 2019
ECLI:NL:PHR:2019:855Hoge Raad · 5 november 2019deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2019:1592
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 18/00965
Datum 5 november 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 februari 2018, nummer 20/001822-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering van de gevangenisstraf wegens inbreuk op het in art. 6, eerste lid, EVRM gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van het eerste en het tweede middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3 Beoordeling van het derde middel
Het middel klaagt dat het Hof in strijd met art. 353, eerste lid, Sv geen beslissing heeft genomen ten aanzien van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van € 37.350,-.
Blijkens het aan de Hoge Raad gezonden proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming, met nr. PL 27YZ/16-066903, is onder de verdachte een geldbedrag van € 37.350,- met toepassing van art. 94 Sv in beslag genomen. De stukken van het geding houden niet in dat het inbeslaggenomen geldbedrag aan de verdachte is teruggegeven.
Het Hof heeft aan de verdachte onder meer een geldboete opgelegd van € 37.350,-, subsidiair 221 dagen hechtenis. Het Hof heeft in dat verband overwogen dat het aan de verdachte een geldboete oplegt “ter hoogte van het onder hem in beslag genomen bedrag”.
Gelet hierop moet de bestreden uitspraak aldus worden begrepen dat het Hof de geldboete van € 37.350,- heeft opgelegd met het oog op de mogelijkheid van verhaal van die boete op het inbeslaggenomen geldbedrag. Als gevolg van een kennelijke misslag heeft het Hof echter niet in zijn arrest vermeld dat het Hof de teruggave gelast van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 37.350,- aan de verdachte. De Hoge Raad zal die misslag herstellen, door de bestreden uitspraak aldus te verstaan dat het Hof als zijn beslissing de teruggave heeft gelast van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 37.350,- aan de verdachte.
Door deze verbeterde lezing komt aan het middel de feitelijke grondslag te ontvallen, zodat het niet tot cassatie kan leiden.
Terzijde merkt de Hoge Raad op dat deze beslissing niet uitsluit dat een terug te geven bedrag kan worden verrekend met een te betalen geldboete.
4 Beoordeling van het vierde middel
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
Het middel is gegrond. Gelet op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van zes weken en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.
5 Beslissing
De Hoge Raad:
- verstaat de bestreden uitspraak aldus dat het Hof de teruggave heeft gelast van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 37.350,- aan de verdachte;
- verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 november 2019.