Strafrecht overig
Medeplegen gewoontewitwassen (art. 420ter jo. 420bis.1.b Sr) en samen met anderen zonder vereiste registratie…
ECLI:NL:HR:2019:654 · Hoge Raad · 23 april 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2019-654
Zaakgegevens
Op 23 april 2019 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 23 april 2019
- Datum publicatie
- 22 april 2019
- Zaaknummer
- 16/03365
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2019:654
Samenvatting
Medeplegen gewoontewitwassen (art. 420ter jo. 420bis.1.b Sr) en samen met anderen zonder vereiste registratie werkzaam zijn als geldtransactiekantoor, meermalen gepleegd (art. 3 Wet inzake de geldtransactiekantoren). Vervolg op tussenarrest ECLI:NL:HR:2019:79. 1. Hof heeft t.a.v. bewijsvoering acht geslagen op uittreksel justitiële documentatie dat niet ttz. is voorgelezen en waarvan korte inhoud niet is medegedeeld. 2. Bewijsklacht witwassen. Wetenschap dat geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn. 3. HR ambtshalve: Verjaring werkzaam zijn als geldtransactiekantoor.
Ad 1. en 2. HR: art. 81.1 RO.
Ad 3. HR: Op grond van hetgeen is vermeld in CAG is feit verjaard. CAG: Recht tot strafvordering vervalt 2 maal 6 jaren nadat oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen, terwijl feit is begaan in periode van 1-10-2006 tot en met 17-4-2007 (niet beschouwd als voortdurend delict). Feit is op 18-4-2019 volledig verjaard.
Volgt partiële vernietiging, partiële n-o verklaring OvJ in vervolging en terugwijzing t.a.v. strafoplegging.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 12 maart 2019
ECLI:NL:PHR:2019:213Hoge Raad · 23 april 2019deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2019:654
Uitspraak
Inhoudsopgave
23 april 2019
Strafkamer
nr. S 16/03365
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 7 juni 2016, nummer 22/002057-08, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Hoge Raad heeft bij arrest van 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:79, geoordeeld dat het eerste middel niet tot cassatie kan leiden en dat de Advocaat-Generaal in de gelegenheid behoort te worden gesteld zich uit te laten over de overige middelen.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft bij aanvullende conclusie geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde en de strafoplegging en tot zodanige op art. 440 Sv gegronde beslissing als de Hoge Raad passend voorkomt.
2 Beoordeling van het tweede en het derde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
Op grond van hetgeen is vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 17 is de Hoge Raad van oordeel dat het onder 2 tenlastegelegde feit is verjaard.
De Hoge Raad zal, met vernietiging van de bestreden uitspraak in zoverre, de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.
4 Beoordeling van het vierde middel
Gelet op de hierna volgende beslissing behoeft het middel geen bespreking.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging;
verklaart de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk in de vervolging wat betreft het onder 2 tenlastegelegde;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak wat betreft de strafoplegging op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 april 2019.