Strafrecht overig

Belaging. 1. Uit b.m. volgt niet z.m. dat verdachte zich in de (gehele) bewezenverklaarde periode heeft…

Zaakgegevens

Op 18 juni 2019 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18 juni 2019
Datum publicatie
18 juni 2019
Zaaknummer
17/03016
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2019:989
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Belaging. 1. Uit b.m. volgt niet z.m. dat verdachte zich in de (gehele) bewezenverklaarde periode heeft schuldig gemaakt aan belaging, 2. het gedurende (slechts) 4 dagen meermalen telefonisch contact maken valt niet (z.m.) onder de delictsomschrijving van art. 285b.1 Sr. HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2017

    ECLI:NL:GHARL:2017:1070
  2. Conclusie A-G · 23 april 2019

    ECLI:NL:PHR:2019:656
  3. Hoge Raad · 18 juni 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2019:989

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

Inhoudsopgave

18 juni 2019

Strafkamer

nr. S 17/03016

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 25 januari 2017, nummer 21/006561-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juni 2019.