Strafrecht overig
Cassatie b.p. Ontslag van alle rechtsvervolging verdachte t.z.v. poging doodslag (art. 287 Sr) en…
ECLI:NL:HR:2020:1321 · Hoge Raad · 25 augustus 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2020-1321
Zaakgegevens
Op 25 augustus 2020 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 25 augustus 2020
- Datum publicatie
- 24 augustus 2020
- Zaaknummer
- 19/00941
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2020:1321
Samenvatting
Cassatie b.p. Ontslag van alle rechtsvervolging verdachte t.z.v. poging doodslag (art. 287 Sr) en gedeeltelijke toewijzing en gedeeltelijke n-o verklaring vordering b.p. Ontvankelijkheid cassatieberoep b.p.? Art. 421.4 Sv voorziet in instellen van h.b. door b.p. tegen afwijzing van haar vordering door rechter in e.a. indien noch verdachte noch OM h.b. heeft ingesteld. Wet bevat geen regeling t.a.v. instellen van beroep in cassatie door b.p. indien haar vordering door appelrechter in strafgeding n-o is verklaard dan wel is afgewezen en noch verdachte noch OM cassatieberoep heeft ingesteld. In strafzaak tegen verdachte is geen cassatieberoep ingesteld door verdachte of door OM. Dit brengt mee dat HR cassatieberoep van b.p. niet in behandeling kan nemen (vgl. ECLI:NL:HR:2017:1277). HR verklaart b.p. n-o in beroep.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 10 oktober 2018
ECLI:NL:GHAMS:2018:3646Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 2 juni 2020
ECLI:NL:PHR:2020:507Hoge Raad · 25 augustus 2020deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2020:1321
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 19/00941
Datum 25 augustus 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 10 oktober 2018, nummer 23/003561-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.
1 De uitspraak van het hof
Het hof heeft de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde ‘poging tot doodslag’ ontslagen van alle rechtsvervolging en de plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis gelast voor de termijn van een jaar. Daarnaast heeft het hof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] gedeeltelijk toegewezen en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.
2 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de benadeelde partij [benadeelde partij]. Volgens de daarvan opgemaakte akte is het beroep beperkt tot de gedeeltelijke afwijzing van de vordering tot schadevergoeding. Namens deze heeft C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van de benadeelde partij in het beroep.
3 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Artikel 421 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering voorziet in het instellen van hoger beroep door een benadeelde partij tegen de afwijzing van haar vordering door de rechter in eerste aanleg indien noch de verdachte noch het openbaar ministerie hoger beroep heeft ingesteld. De wet bevat geen regeling ten aanzien van het instellen van beroep in cassatie door een benadeelde partij indien haar vordering door de appelrechter in het strafgeding niet-ontvankelijk is verklaard dan wel is afgewezen en noch de verdachte noch het openbaar ministerie cassatieberoep heeft ingesteld. In de strafzaak tegen de verdachte is geen cassatieberoep ingesteld door de verdachte of door het openbaar ministerie. Dit brengt mee dat de Hoge Raad het cassatieberoep van de benadeelde partij niet in behandeling kan nemen. (Vgl. HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1277.)
4 Beslissing
De Hoge Raad verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 augustus 2020.