Strafrecht overig
Profijtontneming, w.v.v. uit hennepteelt en diefstal stroom d.m.v. verbreking. ’s Hofs oordeel dat betrokkene…
ECLI:NL:HR:2020:30 · Hoge Raad · 14 januari 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2020-30
Zaakgegevens
Op 14 januari 2020 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 14 januari 2020
- Datum publicatie
- 10 januari 2020
- Zaaknummer
- 18/04133
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2020:30
Samenvatting
Profijtontneming, w.v.v. uit hennepteelt en diefstal stroom d.m.v. verbreking. ’s Hofs oordeel dat betrokkene rekening tot bedrag van € 1.656,14 aan netbeheerder voor stroom heeft betaald begrijpelijk? HR: Op gronden vermeld in CAG is middel terecht voorgesteld. CAG: In bestreden uitspraak is tot uitdrukking gebracht dat Hof reeds betaald bedrag als daadwerkelijke kosten op w.v.v. in mindering heeft willen brengen, terwijl het zich daarbij heeft gebaseerd op als bijlage bij pleitnota in h.b. gevoegde brief van netbeheerder. Uit deze brief volgt dat factuurbedrag € 5.950,14 bedraagt, waarvan nog € 3.790,00 niet is voldaan. Dat betekent dat bedrag van € 2.160,14 wel is voldaan. ‘s Hofs oordeel dat uit bijlage kan worden afgeleid dat betrokkene bedrag van € 1.656,14 heeft voldaan, is niet begrijpelijk. Gelet hierop had Hof openstaand bedrag (en niet openstaand bedrag, inclusief incassokosten) van factuurbedrag dienen af te trekken. HR doet zaak zelf af door geschat w.v.v. te verminderen met reeds aan netbeheerder betaald geldbedrag van € 2.160,14. Uitgaande van schatting van w.v.v. op bedrag van € 23.792,27 zal worden bepaald dat aan betrokkene opgelegde verplichting tot betaling aan Staat bedrag van € 21.632,13 bedraagt.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 5 september 2018
ECLI:NL:GHAMS:2018:3236Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 19 november 2019
ECLI:NL:PHR:2019:1171Hoge Raad · 14 januari 2020deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2020:30
(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 18/04133
Datum 14 januari 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 5 september 2018, nummer 23/003959-17, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de betrokkene.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting betreft, en tot vermindering van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat en de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting tot € 21.632,13, met verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van het middel
Het middel klaagt onder meer dat het oordeel van het Hof dat de betrokkene de rekening tot een bedrag van € 1.656,14 aan Liander heeft betaald onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd is.
Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 14 en 15 is het middel terecht voorgesteld.
De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen door het door het Hof geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel te verminderen met het reeds aan Liander betaalde geldbedrag van € 2.160,14. Uitgaande van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 23.792,27 zal worden bepaald dat de aan de betrokkene opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat een bedrag van € 21.632,13 bedraagt.
Voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 21.632,13 bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 januari 2020.