Strafrecht overig

Medeplegen uitvoer harddrugs naar Verenigd Koninkrijk, meermalen gepleegd (art. 2.A Opiumwet) opzettelijk…

Zaakgegevens

Op 21 september 2021 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21 september 2021
Datum publicatie
16 september 2021
Zaaknummer
19/00487
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2021:1284
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Medeplegen uitvoer harddrugs naar Verenigd Koninkrijk, meermalen gepleegd (art. 2.A Opiumwet) opzettelijk aanwezig hebben MDMA (art. 2.C Opiumwet), deelname aan een criminele organisatie (art. 140 Sr) en gewoontewitwassen (art. 420ter Sr). Bewijsklachten o.m. over deelneming aan een criminele organisatie en gewoontewitwassen en klacht over afwijzing getuigenverzoeken. HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Rechtbank Oost-Brabant · 22 mei 2017

    ECLI:NL:RBOBR:2017:2741
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 28 januari 2019

    ECLI:NL:GHSHE:2019:755

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  3. Conclusie A-G · 22 juni 2021

    ECLI:NL:PHR:2021:629
  4. Hoge Raad · 21 september 2021deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2021:1284

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/00487

Datum 21 september 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 januari 2019, nummer 20-001660-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H. Bakker, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De procureur-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat de duur van de opgelegde gevangenisstraf betreft, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van negen jaren. In de omstandigheid dat de Hoge Raad pas uitspraak doet nadat meer dan 28 maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, vindt de Hoge Raad aanleiding de opgelegde gevangenisstraf te verminderen met zeven maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze acht jaren en vijf maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 september 2021.