Strafrecht overig
Medeplegen (poging tot) diefstal met braak (art. 311.1 Sr). 1. Heeft onderzoek op tz. in hoger beroep in het…
ECLI:NL:HR:2021:1495 · Hoge Raad · 12 oktober 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2021-1495
Zaakgegevens
Op 12 oktober 2021 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 12 oktober 2021
- Datum publicatie
- 11 oktober 2021
- Zaaknummer
- 19/05118
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2021:1495
Samenvatting
Medeplegen (poging tot) diefstal met braak (art. 311.1 Sr). 1. Heeft onderzoek op tz. in hoger beroep in het openbaar plaatsgevonden? 2. Omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr.
Ad 1. P-v van tz. in h.b. houdt niet in dat onderzoek in het openbaar heeft plaatsgevonden. Gelet op omstandigheid dat p-v van tz. in h.b. in (gelijktijdig behandelde) zaak van medeverdachte wel inhoudt dat onderzoek op tz. in die zaak in het openbaar heeft plaatsgevonden, heeft HR ex art. 83 RO inlichtingen ingewonnen bij voorzitter hof. O.g.v. bericht van voorzitter hof (het betreft een omissie, zitting is in het openbaar gehouden) moet het ervoor worden gehouden dat a.g.v. kennelijke misslag is verzuimd in p-v op te nemen dat tz. in h.b. in het openbaar heeft plaatsgevonden. HR leest p-v met verbetering van deze misslag.
Ad 2. HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.
CAG: anders. Samenhang met HR:2021:992.
Procesgang
Gerechtshof Den Haag · 31 oktober 2019
ECLI:NL:GHDHA:2019:3077Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 18 mei 2021
ECLI:NL:PHR:2021:491Hoge Raad · 12 oktober 2021deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2021:1495
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 19/05118
Datum 12 oktober 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 31 oktober 2019, nummer 22/000972-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.W.M. Stevens, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Hoge Raad heeft op de voet van artikel 83 van de Wet op de rechterlijke organisatie inlichtingen ingewonnen.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep nietig is omdat het niet in het openbaar heeft plaatsgevonden.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt niet in dat het onderzoek dat daar heeft plaatsgevonden, in het openbaar is geschied. Het arrest van 31 oktober 2019 houdt in dat het arrest is gewezen mede naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van het hof op 17 oktober 2019. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep in de zaak van de medeverdachte (bij de Hoge Raad bekend onder zaaknummer 19/05023, ECLI:NL:HR:2021:992) van 17 oktober 2019 houdt wel in dat het onderzoek op de terechtzitting in die zaak in het openbaar heeft plaatsgevonden.
Gelet op de hiervoor vermelde omstandigheden heeft de Hoge Raad op de voet van artikel 83 van de Wet op de rechterlijke organisatie inlichtingen ingewonnen bij de voorzitter van het hof met betrekking tot de terechtzitting. Deze heeft op 29 juni 2021 aan de Hoge Raad het volgende bericht:
“Het betreft een omissie. De zitting is in het openbaar gehouden.”
Op grond van dit bericht moet het ervoor worden gehouden dat als gevolg van een kennelijke misslag is verzuimd in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 oktober 2019 op te nemen dat de terechtzitting in hoger beroep in het openbaar heeft plaatsgevonden. De Hoge Raad leest het proces-verbaal met verbetering van die misslag. Daardoor mist het cassatiemiddel feitelijke grondslag, zodat het niet tot cassatie kan leiden.
Het cassatiemiddel faalt.
3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de vervangende hechtenis bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregel.
Het hof heeft de verdachte de verplichting opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer het in het arrest vermelde bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door het in het arrest genoemde aantal dagen hechtenis.
Het cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof vernietigen voor zover daarbij vervangende hechtenis is toegepast, overeenkomstig hetgeen is beslist in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914.
4 Beoordeling van het derde cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vijf maanden.
5 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer vervangende hechtenis is toegepast;
- vermindert de duur van de gevangenisstraf in die zin dat deze vier maanden en drie weken beloopt;
- bepaalt dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 oktober 2021.