Strafrecht overig
Economische zaak. Medeplegen feitelijk leiding geven aan illegale overbrenging van afvalstoffen (art. 10.60.2…
ECLI:NL:HR:2022:1560 · Hoge Raad · 1 november 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2022-1560
Zaakgegevens
Op 1 november 2022 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 1 november 2022
- Datum publicatie
- 28 oktober 2022
- Zaaknummer
- 21/01158
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2022:1560
Samenvatting
Economische zaak. Medeplegen feitelijk leiding geven aan illegale overbrenging van afvalstoffen (art. 10.60.2 Wet milieubeheer jo. 2.35.a en 2.35.b EVOA) en valsheid in geschrift (art. 225.1 Sr), meermalen gepleegd door rechtspersoon. 1. Heeft hof grondslag van tll. verlaten en is bewijsconstructie redengevend voor onderdeel van bewezenverklaarde? 2. Heeft hof redengevende feiten en omstandigheden opgenomen in (inleidende) bewijsoverwegingen die niet blijken uit gebezigde bewijsmiddelen? 3. Bewijsklacht feitelijk leidinggeven. 4. Kon hof oordelen dat het onaannemelijk is dat er toestemming was om niet in Farmsum bewerkte olie naar Duitsland over te brengen? 5. Heeft hof grondslag van tll. verlaten door verdachte te veroordelen voor iets wat in art. 2.35.d EVOA strafbaar is gesteld, terwijl tll. is toegesneden op art. 2.35.a en/of 2.35.b EVOA? 6. Bewijsklacht opzet van rechtspersoon m.b.t. illegale overbrenging van afvalstoffen. 7. Bronopgave van onderdelen van nadere bewijsoverwegingen. 8. Bewijsklachten valsheid van vervoersdocumenten en opzet van rechtspersoon op valsheid.
HR: art. 81.1 RO.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 13 september 2022
ECLI:NL:PHR:2022:800Hoge Raad · 1 november 2022deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2022:1560
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/01158 E
Datum 1 november 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, economische kamer, van 2 maart 2021, nummer 21-003421-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben Th.O.M. Dieben en O.S. Pluimer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch alleen wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde geldboete van € 5.000, subsidiair zestig dagen hechtenis.
3 Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete en de duur van de vervangende hechtenis;
- vermindert de geldboete en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze € 4.750, subsidiair 57 dagen hechtenis, bedragen;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 november 2022.