Strafrecht overig

Beklag art. 552a Sv m.b.t. beslag ex art. 94 Sv op een auto met verborgen ruimte. De cassatieklachten zijn…

Zaakgegevens

Op 25 januari 2022 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25 januari 2022
Datum publicatie
19 januari 2022
Zaaknummer
21/02362
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:41
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Beklag art. 552a Sv m.b.t. beslag ex art. 94 Sv op een auto met verborgen ruimte. De cassatieklachten zijn gericht tegen de samenhangende beschikking van de Rb op een vordering a.b.i. art. 552f.2 Sv tot onttrekking aan het verkeer van die auto. HR: Als een middel a.b.i de wet, kan alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De klachten voldoen niet aan dit vereiste omdat zij niet gericht zijn tegen de in deze zaak bestreden uitspraak, zodat zij onbesproken moeten blijven. HR verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Samenhang met 21/01917B.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 23 november 2021

    ECLI:NL:PHR:2021:1259
  2. Hoge Raad · 25 januari 2022deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2022:41

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 21/02362 B

Datum 25 januari 2022

BESCHIKKING

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 14 januari 2021, nummer RK 20/2780, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend

door

[klager] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

hierna: de klager.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft R. Moghni, advocaat te Rotterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot nietontvankelijkverklaring van de klager in het ingestelde cassatieberoep.

2 Beoordeling van de schriftuur en de ontvankelijkheid van het beroep

2.1

Het cassatiemiddel bevat klachten die zijn gericht tegen de beschikking van de rechtbank van 17 februari 2021 op een vordering als bedoeld in artikel 552f lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) die bij de Hoge Raad in behandeling is onder nummer 21/01917 B en die samenhangt met de onderhavige zaak. Als een cassatiemiddel als in de wet bedoeld, kan alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De klachten voldoen niet aan dit vereiste omdat zij niet gericht zijn tegen de in deze zaak bestreden uitspraak, zodat zij onbesproken moeten blijven.

2.2

Nu de klager niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur met cassatiemiddelen heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van artikel 447 lid 5 Sv. Dat brengt mee dat de Hoge Raad het cassatieberoep niet in behandeling kan nemen.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 januari 2022.