Strafrecht overig

Militaire zaak, Schaarsbergen-zaak. Medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht…

Zaakgegevens

Op 5 april 2022 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
5 april 2022
Datum publicatie
4 april 2022
Zaaknummer
20/02247
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:514
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Militaire zaak, Schaarsbergen-zaak. Medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd (art. 285 Sr). Schending van recht op behandeling zaak door onafhankelijke en onpartijdige rechter a.b.i. art. 6.1 EVRM, nu lid van kamer die arrest heeft gewezen t.t.v. behandeling zaak formeel in dienst was van OM? HR heeft ex art.83 RO inlichtingen ingewonnen bij hof. Middel leidt niet tot cassatie op redenen vermeld in HR:2022:513.

Volgt verwerping. CAG: anders. Samenhang met 20/02246 M en 20/02260 M.

Procesgang

  1. Rechtbank Gelderland · 22 juli 2019

    ECLI:NL:RBGEL:2019:3334
  2. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 9 juli 2020

    ECLI:NL:GHARL:2020:5324

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  3. Conclusie A-G · 14 december 2021

    ECLI:NL:PHR:2021:1178
  4. Conclusie A-G · 8 maart 2022

    ECLI:NL:PHR:2022:188
  5. Hoge Raad · 5 april 2022deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2022:514

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/02247 M

Datum 5 april 2022

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, militaire kamer, van 9 juli 2020, nummer 21-004187-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben C. Grijsen, advocaat te Almere, en D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Namens de benadeelde partij [slachtoffer] heeft R.E.H. Jager, advocaat te Amersfoort, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft bij conclusie van 14 december 2021 geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar de militaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden om op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Hoge Raad heeft op de voet van artikel 83 van de Wet op de rechterlijke organisatie inlichtingen ingewonnen.

De advocaat-generaal heeft bij aanvullende conclusie van 8 maart 2022 gepersisteerd bij haar conclusie van 14 december 2021.

2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld

2.1

Het cassatiemiddel klaagt dat het recht van de verdachte op een behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechter in de zin van artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is geschonden. Het voert daartoe aan dat een lid van de kamer die het bestreden arrest heeft gewezen ten tijde van de behandeling van de zaak formeel in dienst was van het openbaar ministerie Noord-Nederland.

2.2

Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 20/02246 M, ECLI:NL:HR:2022:513.

3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld en het cassatiemiddel dat namens de benadeelde partij is voorgesteld

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4. Beoordeling van het derde cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld

4.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

4.2

Het cassatiemiddel is gegrond. In het licht van de opgelegde taakstraf van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis, zal de Hoge Raad volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

5 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 april 2022.