Strafrecht overig

Brandstichting in inrichting voor stelselmatige daders, waarin verdachte is geplaatst, art. 157.1 en 157.2…

Zaakgegevens

Op 19 september 2023 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19 september 2023
Datum publicatie
4 september 2023
Zaaknummer
21/04297
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2023:1153
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Brandstichting in inrichting voor stelselmatige daders, waarin verdachte is geplaatst, art. 157.1 en 157.2 Sr. 1. Bewijsklachten. Kon hof oordelen dat door bewezenverklaarde gedraging “levensgevaar” en/of “gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander” te duchten was? 2. Eendaadse samenloop, art. 55 Sr. Heeft hof ten onrechte art. 56 Sr vermeld bij toepasselijke wettelijke voorschriften?

HR: art. 81.1 RO. CAG gaat m.b.t. inzendtermijn in cassatie in op vraag of 6-maandentermijn moet worden toegepast, nu verdachte door bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van TBS met voorwaarden is opgenomen voor klinische behandeling.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 20 juni 2023

    ECLI:NL:PHR:2023:603
  2. Hoge Raad · 19 september 2023deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2023:1153

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 21/04297

Datum 19 september 2023

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 oktober 2021, nummer 21-003170-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan in een mate die de Hoge Raad gepast zal voorkomen, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het derde cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

2.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte in het kader van de dadelijk uitvoerbaar verklaarde terbeschikkingstelling met voorwaarden van zijn vrijheid is beroofd, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden.

3 Beoordeling van de overige cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze elf maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 september 2023.