Strafrecht overig

Rijden tijdens ontzegging rijbevoegdheid, art. 9.1 WVW 1994. Bewijsklacht. Kan uit bewijsvoering worden…

Zaakgegevens

Op 26 september 2023 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26 september 2023
Datum publicatie
21 september 2023
Zaaknummer
21/02773
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2023:1305
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Rijden tijdens ontzegging rijbevoegdheid, art. 9.1 WVW 1994. Bewijsklacht. Kan uit bewijsvoering worden afgeleid dat verdachte “wist of redelijkerwijs moest weten” dat hem de bevoegdheid tot besturen van motorrijtuigen was ontzegd? HR: Om redenen vermeld in CAG faalt middel. CAG: Anders dan bij ongeldigverklaring rijbewijs (art. 9.2 WVW 1994), bepaalt art. 180.3 WVW 1994 voor OBM (art. 9.1 WVW 1994) dat tenuitvoerlegging pas kan geschieden nadat daarover “in persoon” een schrijven is uitgereikt. Hof heeft bewezenverklaard dat verdachte op 16-11-2017 snorfiets heeft bestuurd “gedurende tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd”. Hof heeft aldus geoordeeld dat OBM op 16-11-2017 van kracht was. Daarin ligt besloten dat in art. 180.3 WVW 1994 bedoeld schrijven in persoon aan hem is uitgereikt. Hieruit kan worden afgeleid dat verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat hem bevoegdheid tot besturen van motorrijtuigen was ontzegd. Bewezenverklaring is in zoverre toereikend gemotiveerd.

Volgt verwerping.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 27 juni 2023

    ECLI:NL:PHR:2023:620
  2. Hoge Raad · 26 september 2023deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2023:1305

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 21/02773

Datum 26 september 2023

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 juni 2021, nummer 21-006785-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd, omdat uit het door het hof gebruikte bewijsmiddel niet kan volgen dat de verdachte “wist of redelijkerwijs moest weten” dat hem bij rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd.

2.2

Het cassatiemiddel faalt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 12 en 13.

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van twee weken volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 september 2023.