Strafrecht overig
Beschikking dwangbevel, verzet tegen dwangbevel a.b.i. art. 6:4:5.3 Sv. Ontvankelijkheid cassatieberoep. Niet…
ECLI:NL:HR:2023:1357 · Hoge Raad · 3 oktober 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2023-1357
Zaakgegevens
Op 3 oktober 2023 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 3 oktober 2023
- Datum publicatie
- 2 oktober 2023
- Zaaknummer
- 22/02853
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2023:1357
Samenvatting
Beschikking dwangbevel, verzet tegen dwangbevel a.b.i. art. 6:4:5.3 Sv. Ontvankelijkheid cassatieberoep. Niet voldaan aan verplichting tot consignatie. O.g.v. art. 6:4:5.3 Sv is veroordeelde in zijn cassatieberoep alleen ontvankelijk na voorafgaande consignatie (zekerheidstelling) van nog verschuldigd bedrag en van kosten op griffie van gerecht dat beschikking heeft gegeven of waartoe rechter behoort van wie beschikking afkomstig is. Griffie Rb heeft veroordeelde via mededeling op beslissing van 14-3-2022 in de gelegenheid gesteld om binnen 14 dagen na instellen van cassatie het verschuldigde bedrag aan CJIB te consigneren. Uit brief van CJIB van 9-8-2022 aan HR blijkt echter dat binnen gestelde termijn geen betaling van veroordeelde is ontvangen.
Veroordeelde n-o.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 4 juli 2023
ECLI:NL:PHR:2023:663Hoge Raad · 3 oktober 2023deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2023:1357
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02853 Bdw
Datum 3 oktober 2023
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 14 maart 2022, nummer RK 21/017751, op het verzet van de veroordeelde tegen een dwangbevel als bedoeld in art. 6:4:5 lid 3 Sv, ingediend door
[veroordeelde],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1944,
hierna: de veroordeelde.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de veroordeelde. Namens deze heeft D.R. Changoer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de veroordeelde in het beroep.
2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Op grond van artikel 6:4:5 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering is de veroordeelde in zijn cassatieberoep alleen ontvankelijk na voorafgaande consignatie (zekerheidstelling) van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten op de griffie van het gerecht dat de beschikking heeft gegeven, of waartoe de rechter behoort van wie de beschikking afkomstig is.
De griffie van de rechtbank Noord-Nederland heeft de veroordeelde via een mededeling op de beslissing van 14 maart 2022 in de gelegenheid gesteld om binnen veertien dagen na het instellen van cassatie het verschuldigde bedrag aan het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: CJIB) te Leeuwarden te consigneren. Uit de brief van het CJIB van 9 augustus 2022 aan de Hoge Raad blijkt echter dat binnen de gestelde termijn geen betaling van de veroordeelde is ontvangen.
Hieruit volgt dat de veroordeelde niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het beroep.
3 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 oktober 2023.