Strafrecht overig

Medeplegen poging tot diefstal met (bedreiging met) geweld (art. 312.2.2 Sr) en medeplegen poging tot…

Zaakgegevens

Op 14 november 2023 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14 november 2023
Datum publicatie
10 november 2023
Zaaknummer
22/02971
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2023:1557
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Medeplegen poging tot diefstal met (bedreiging met) geweld (art. 312.2.2 Sr) en medeplegen poging tot afpersing (art. 317.3 jo. 312.2 Sr) van schoenendoos met geld en goederen ter waarde van € 10.000. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklacht toebehoren van weg te nemen geld en goederen aan ander dan verdachte en zijn mededaders. 2. Beslissing over voorlopige hechtenis. Is ’s Hofs beslissing tot gevangenneming toereikend gemotiveerd?

Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: ’s Hofs vaststelling dat betreffende schoenendoos met inhoud aan ander (A) toebehoort, is niet onbegrijpelijk. Uit bewijsvoering volgt immers dat A “voor 100%” verbleef in woning van aangever, dat aangever A meermaals in de weer heeft gezien met schoenendoos, die hij gebruikte voor verkoop van drugs en dat A tegen aangever heeft gezegd dat er niets gestolen was. Dat A later in opsporingsonderzoek zou hebben verklaard dat doos niet aan hem toebehoorde, zoals verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd, doet hieraan niet af. Rechter is immers vrij in selectie en waardering van bewijsmateriaal waarop hij bewezenverklaring baseert. Deze weging van bewijsmateriaal en feitelijke vaststellingen die rechter daaraan verbindt, kunnen in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. Kennelijk heeft hof de verklaring van A dat doos niet van hem was in het licht van voorhanden bewijsmateriaal niet aannemelijk geacht, hetgeen gelet op gebruikte bewijsmiddelen niet onbegrijpelijk is. Daarmee zijn bewezenverklaring en verwerping van het door verdediging gevoerde verweer voldoende met redenen omkleed.

Ad 2. Verdachte mist belang bij bespreking van klacht over ’s hofs beslissing m.b.t. voorlopige hechtenis. Eerste middel (bewijsklacht) slaagt niet, terwijl o.g.v. art. 6:2:2.a Sv de door hof opgelegde gevangenisstraf zal ingaan op dag van uitspraak van HR. Daarbij zal dan de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd in mindering worden gebracht (vgl. HR:2012:BW7369 en HR:2021:1662).

Volgt verwerping. Samenhang met 22/03105.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 4 augustus 2022

    ECLI:NL:GHAMS:2022:2281
  2. Conclusie A-G · 26 september 2023

    ECLI:NL:PHR:2023:798
  3. Hoge Raad · 14 november 2023deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2023:1557

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/02971

Datum 14 november 2023

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 4 augustus 2022, nummer 23-002921-20, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, en P. van Dongen, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt in de kern dat de bewezenverklaring van feit 1 onder A en B ten aanzien van het toebehoren van het weg te nemen geld en/of goederen aan een ander dan aan de verdachte en zijn mededaders, namelijk aan [betrokkene 1] , niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.

2.2

Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5 tot en met 10 en 13 tot en met 15.

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt over de beslissing die het hof in hoger beroep heeft genomen over de voorlopige hechtenis.

3.2

De verdachte mist om de navolgende reden het vereiste belang bij een bespreking van deze klacht. Het eerste cassatiemiddel slaagt niet, terwijl op grond van artikel 6:2:2, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering de door het hof opgelegde gevangenisstraf zal ingaan op de dag van de uitspraak van de Hoge Raad. Daarbij zal dan de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd in mindering worden gebracht. (Vgl. HR 5 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7369 en HR 9 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1662.)

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 november 2023.