Strafrecht overig
OM-cassatie en cassatie verdachte. Vrijspraak t.z.v. medeplegen opzettelijk aanwezig hebben cocaïne (art. 2.C…
ECLI:NL:HR:2023:1581 · Hoge Raad · 21 november 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2023-1581
Zaakgegevens
Op 21 november 2023 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 21 november 2023
- Datum publicatie
- 16 november 2023
- Zaaknummer
- 21/03514
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2023:1581
Samenvatting
OM-cassatie en cassatie verdachte. Vrijspraak t.z.v. medeplegen opzettelijk aanwezig hebben cocaïne (art. 2.C Opiumwet) en medeplegen voorbereidings- of bevorderingshandelingen t.a.v. partij cocaïne uit Colombia, die in haven van Antwerpen grotendeels in beslag is genomen (art. 10a jo. 10.4 en 10.5 Opiumwet). 1. Cassatie verdachte. Geen schriftuur. 2. OM-cassatie. Kan sprake zijn van ‘voorbereiden’ of ‘bevorderen’ a.b.i. art. 10a Opiumwet, als aan verdachte verweten handelingen hebben plaatsgevonden na inbeslagneming van partij verdovende middelen waarop handelingen gericht zijn?
Ad 1. Geen middelen ingediend, verdachte n-o.
Ad 2. HR: Middel slaagt om redenen vermeld in HR:2023:1580.
Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing t.a.v. voorbereidings- of bevorderingshandelingen en strafoplegging. Samenhang met 21/03513.
Procesgang
Rechtbank Oost-Brabant · 20 januari 2020
ECLI:NL:RBOBR:2020:220Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 9 augustus 2021
ECLI:NL:GHSHE:2021:2739(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 3 oktober 2023
ECLI:NL:PHR:2023:863Hoge Raad · 21 november 2023deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2023:1581
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/03514
Datum 21 november 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 9 augustus 2021, nummer 20-000145-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
De beroepen zijn ingesteld door de verdachte en het openbaar ministerie. Cassatiemiddelen zijn namens de verdachte niet voorgesteld.
Het openbaar ministerie heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep, tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep van de verdachte
De wet bepaalt binnen welke termijn een advocaat namens de verdachte een schriftuur met cassatiemiddelen (klachten) bij de Hoge Raad moet indienen. Aan die verplichting is niet voldaan. Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de verdachte niet in behandeling kan nemen (zie artikel 437 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering).
3. Beoordeling van het cassatiemiddel dat door het openbaar ministerie is voorgesteld
Het cassatiemiddel klaagt ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit over het oordeel van het hof dat geen sprake kan zijn van ‘voorbereiden’ of ‘bevorderen’ als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet, als de aan de verdachte verweten handelingen hebben plaatsgevonden na de inbeslagneming van de partij verdovende middelen waarop die handelingen gericht zijn.
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 21/03513, ECLI:NL:HR:2023:1580.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk;
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 november 2023.