Strafrecht overig
Medeplegen uitvoer hennep (art. 3.A Opiumwet). 1. Toetsing van rechtmatigheid van tapmachtigingen. Heeft Rb…
ECLI:NL:HR:2023:219 · Hoge Raad · 14 februari 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2023-219
Zaakgegevens
Op 14 februari 2023 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 14 februari 2023
- Datum publicatie
- 10 februari 2023
- Zaaknummer
- 20/04067
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2023:219
Samenvatting
Medeplegen uitvoer hennep (art. 3.A Opiumwet). 1. Toetsing van rechtmatigheid van tapmachtigingen. Heeft Rb tapmachtigingen ten onrechte volledig getoetst i.p.v. marginaal? 2. Onvolkomenheid bij beëdiging van één of meer raadsheren van hof ’s-Hertogenbosch die uitspraak hebben gewezen, art. 5.2 en 6.2 Wet RO.
Ad 1. HR: Middel leidt niet tot cassatie om redenen vermeld in CAG. CAG: Hof heeft (met juiste toepassing van toepasselijk toetsingskader) terecht aan beoordeling van rechtmatigheid van tapmachtigingen ten grondslag gelegd dat door zittingsrechter moet worden getoetst of RC in redelijkheid tot zijn oordeel omtrent verstrekken van die tapmachtigingen heeft kunnen komen. Die toets van zittingsrechter heeft daarmee marginaal karakter. Het is aan RC om te beoordelen of vordering OvJ tot verlenen van verzochte tapmachtiging en verstrekken van deze tapmachtiging a.b.i. art. 126m.5 Sv) aan daartoe gestelde wettelijke voorwaarden voldoen. ’s Hofs oordeel dat Rb i.p.v. marginale, ten onrechte volle inhoudelijke toets heeft aangelegd, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
Ad 2. Gelet op HR:2022:1438 behoeft dat geen verdere bespreking.
Volgt verwerping. Samenhang met 20/04075 en 20/04009.
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 1 december 2020
ECLI:NL:GHSHE:2020:3799Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 20 december 2022
ECLI:NL:PHR:2022:1186Hoge Raad · 14 februari 2023deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2023:219
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/04067
Datum 14 februari 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 december 2020, nummer 20-003039-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft A.F.Th.M. Heutink, advocaat te Gennep, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raadsman heeft – na het verstrijken van de in artikel 437 lid 2 Sv bedoelde termijn – bij aanvullende schriftuur nog aan de orde gesteld dat bij de beëdiging van één of meerdere van de raadsheren die de bestreden uitspraak hebben gewezen, zich een onvolkomenheid heeft voorgedaan. Gelet op het arrest dat de Hoge Raad op 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1438, heeft gewezen, behoeft dat geen verdere bespreking.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de rechtbank de tapmachtigingen ten onrechte volledig heeft getoetst.
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 6, 7 en 9 tot en met 14.
3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 75 dagen.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 72 dagen beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en C. Caminada , in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 februari 2023 .