Strafrecht overig

Verduistering van geld door ambtenaar (meermalen gepleegd), art. 359 Sr. 1. Bewijsklacht opzet op…

Zaakgegevens

Op 9 juli 2024 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
9 juli 2024
Datum publicatie
4 juli 2024
Zaaknummer
21/04698
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:1018
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Verduistering van geld door ambtenaar (meermalen gepleegd), art. 359 Sr. 1. Bewijsklacht opzet op wederrechtelijkheid van toe-eigenen. Kon hof oordelen dat verdachte opzet had op verduisteren van gelden? 2. Vordering benadeelde partij, rechtstreekse schade a.b.i. art. 51f.1 en 361.2.b Sv. Kunnen kosten voor inschakeling van extern bedrijf voor onderzoek naar handelen van verdachte worden aangemerkt als kosten die zijn gemaakt om strafbaar feit aan het licht te brengen a.b.i. art. 6:96.2.b BW en is toegewezen bedrag redelijk?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 14 mei 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:456
  2. Hoge Raad · 9 juli 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:1018

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 21/04698

Datum 9 juli 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 november 2021, nummer 21-000700-20, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Boksem, advocaat in Leeuwarden, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;

- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat de taakstraf 90 uren beloopt, subsidiair 45 dagen hechtenis;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juli 2024.