Strafrecht overig
Ontucht met 9-jarige/12-jarige stiefdochter door 29-jarige/33-jarige verdachte, meermalen gepleegd (art. 247…
ECLI:NL:HR:2024:1519 · Hoge Raad · 19 november 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2024-1519
Zaakgegevens
Op 19 november 2024 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 19 november 2024
- Datum publicatie
- 18 oktober 2024
- Zaaknummer
- 23/02779
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2024:1519
Samenvatting
Ontucht met 9-jarige/12-jarige stiefdochter door 29-jarige/33-jarige verdachte, meermalen gepleegd (art. 247 (oud) jo. 248.2 (oud) Sr). Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten. Verweer dat verklaringen van aangeefster onbetrouwbaar zijn en dat die verklaringen voldoende steun vinden in overig bewijsmateriaal.
HR: Middel leidt niet tot cassatie om redenen vermeld in CAG. CAG: Eerste deelklacht, die klaagt over oordeel hof dat “seksuele handelingen waarover aangeefster bij herhaling heeft verklaard zodanig specifiek van aard [zijn], dat niet kan worden aangenomen dat kind van leeftijd die aangeefster had in periode dat misbruik zou hebben plaatsgevonden, daarvan op andere wijze op hoogte kan zijn geweest”, faalt. Tweede deelklacht, die klaagt over oordeel hof dat i.h.k.v. vereist steunbewijs aan verklaring broertje van aangeefster ook “enige betekenis” toekomt, faalt. Derde deelklacht, die inhoudt dat hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op uitdrukkelijk onderbouwd standpunt t.a.v. ontlastende verklaringen van moeder en broer verdachte, faalt eveneens.
Volgt verwerping.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 12 juli 2023
ECLI:NL:GHAMS:2023:1663Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 17 september 2024
ECLI:NL:PHR:2024:921Hoge Raad · 19 november 2024deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2024:1519
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/02779
Datum 19 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 juli 2023, nummer 23-001417-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt, onder verwijzing naar wat in hoger beroep door de verdediging is aangevoerd, over de bewezenverklaring van het onder 3 aan de verdachte tenlastegelegde plegen van ontuchtige handelingen met een kind dat hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin.
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.
3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 november 2024.