Strafrecht overig
Verkrachting van aangeefster in haar slaapkamer van zorginstelling, waar verdachte als begeleider werkzaam…
ECLI:NL:HR:2024:220 · Hoge Raad · 27 februari 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2024-220
Zaakgegevens
Op 27 februari 2024 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 27 februari 2024
- Datum publicatie
- 8 februari 2024
- Zaaknummer
- 21/05034
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2024:220
Samenvatting
Verkrachting van aangeefster in haar slaapkamer van zorginstelling, waar verdachte als begeleider werkzaam was, art. 242 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten. 1. Bestanddeel “andere feitelijkheid”. Is ook sprake van verkrachting a.b.i. art. 242 Sr indien misbruik wordt gemaakt van kwetsbare positie en/of hebben van feitelijk overwicht? 2. Steunbewijs. Kon verklaring van getuige als steunbewijs voor verklaringen van aangeefster worden gebruikt? 3. Verwerping alternatief scenario. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie.
Ad 1. CAG: Hof heeft als “andere feitelijkheid” waarmee verdachte aangeefster heeft gedwongen aangemerkt het misbruik maken van kwetsbare positie van aangeefster en het hebben van feitelijk overwicht over aangeefster. Daarmee geeft oordeel van hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel vindt ook voldoende weerslag in bewijsmotivering van hof. ’s Hofs oordeel dat verdachte in gegeven omstandigheden een psychisch en uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht had op aangeefster en misbruik heeft gemaakt van haar kwetsbare positie, wat zodanige psychische druk opleverde dat aangeefster zich naar redelijke verwachting niet aan bewezenverklaarde handelingen kon onttrekken, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
Ad 2. CAG: Hof heeft nadrukkelijk overwogen dat verschillende verklaringen van aangeefster over essentieel onderdeel van bewezenverklaring van verkrachting (orale bevrediging van verdachte) nauwkeurig en op wezenlijke onderdelen consistent zijn en dat zij daarin ook worden ondersteund door verklaring van getuige. Feit dat hof enkel verklaringen van aangeefster voor bewijs heeft gebruikt, v.zv. deze steun vinden in ander bewijsmateriaal, en alleen die tlgd. gedragingen heeft bewezenverklaard die uit meerdere bewijsmiddelen blijken, draagt bij aan slotsom dat bewezenverklaring op dit punt niet onbegrijpelijk en ook voldoende met redenen omkleed is.
Ad 3. CAG: Hof heeft verwerping van de door verdachte gestelde alternatieve toedracht van uitgebreide motivering voorzien. Dat oordeel geeft geen blijk van verkeerde toepassing van toepasselijk juridisch kader. Motiveringsplicht gaat immers niet zo ver dat bij weerlegging van alternatief scenario op ieder detail van argumentatie van verdediging moet worden ingegaan. ’s Hofs oordeel dat alternatieve lezing van de verdachte geen steun vindt in procesdossier, is niet onbegrijpelijk.
Volgt verwerping.
Procesgang
Rechtbank Oost-Brabant · 20 maart 2020
ECLI:NL:RBOBR:2020:1613Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 7 december 2021
ECLI:NL:GHSHE:2021:3655(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 9 januari 2024
ECLI:NL:PHR:2024:6Hoge Raad · 27 februari 2024deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2024:220
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/05034
Datum 27 februari 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 december 2021, nummer 20-000938-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, en S.P.H. Brinkman, advocaat te Tilburg, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring.
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 30 maanden.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 29 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 februari 2024.