Strafrecht overig

Deelneming aan criminele organisatie die tot oogmerk heeft bedrijfsmatige internationale hennepteelt en…

Zaakgegevens

Op 2 april 2024 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
2 april 2024
Datum publicatie
26 maart 2024
Zaaknummer
21/05240
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:500
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Deelneming aan criminele organisatie die tot oogmerk heeft bedrijfsmatige internationale hennepteelt en hennephandel (art. 11a.1 (oud) jo 11.3, 11.4 en 11.5 Opiumwet), medeplegen verkopen (art. 3.B Opiumwet) en uitvoeren van hennep (art. 3.A Opiumwet) en medeplegen vervoeren van hennep (art. 3.B Opiumwet). Bewijsklachten over betrokkenheid van verdachte bij Opiumwet feiten en deelneming aan criminele organisatie.

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 21/05253 en 21/05256.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 13 februari 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:147
  2. Hoge Raad · 2 april 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:500

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 21/05240

Datum 2 april 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 december 2021, nummer 20-003625-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal M.L.C.C. Lückers heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twee jaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze één jaar en elf maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 april 2024.