Strafrecht overig
Beklag, beslag ex art. 94 Sv op horloges, tassen, schoenen, portemonnees, airpods, telefoon, administratie en…
ECLI:NL:HR:2024:510 · Hoge Raad · 2 april 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2024-510
Zaakgegevens
Op 2 april 2024 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 2 april 2024
- Datum publicatie
- 28 maart 2024
- Zaaknummer
- 22/02202
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2024:510
Samenvatting
Beklag, beslag ex art. 94 Sv op horloges, tassen, schoenen, portemonnees, airpods, telefoon, administratie en contant geld onder klagers t.z.v. verdenking van grootschalige invoer van en handel in verdovende middelen en witwassen. Ontvankelijkheid cassatieberoep i.v.m. vernietiging van airpods (voorwerp 36), art. 134.2.c jo. 117 Sv. HR: Om redenen vermeld in CAG, kan HR het cassatieberoep van klagers v.zv. dit ziet op voorwerp 36 niet in behandeling nemen. CAG: Uit gegevens van OM blijkt dat airpods inmiddels zijn vernietigd en beslag daardoor alsnog is beëindigd, zodat klagers niet kunnen worden ontvangen in cassatieberoep v.zv. gericht tegen n-o verklaring van klaagschrift t.z.v. airpods.
Klagers (partieel) n-o t.a.v. airpods.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 13 februari 2024
ECLI:NL:PHR:2024:163Hoge Raad · 2 april 2024deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2024:510
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02202 B
Datum 2 april 2024
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Overijssel van 20 mei 2022, nummers RK 22/50 en 22/51, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv, ingediend
door
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats ] op [geboortedatum ] 1980
en
[klaagster]
geboren te [geboorteplaats ] op [geboortedatum ] 1981,
hierna: de klagers.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klagers. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd deels tot niet-ontvankelijk verklaring van de klagers in het beroep in cassatie en deels tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep naar aanleiding van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad kan het cassatieberoep van de klagers voor zover dit ziet op het inbeslaggenomen voorwerp met nummer 36 niet in behandeling nemen. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3. Het cassatiemiddel blijft daarom onbesproken.
3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het gericht is tegen de beslissing van de rechtbank dat het klaagschrift ten aanzien van voorwerp nummer 36 (Apple airpods) niet-ontvankelijk is;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 april 2024.