Strafrecht overig
Openlijke geweldpleging bij avondklokrellen (coronarellen) in Eindhoven in 2021, art. 141.1 Sr. Vrijspraak in…
ECLI:NL:HR:2024:512 · Hoge Raad · 2 april 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2024-512
Zaakgegevens
Op 2 april 2024 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 2 april 2024
- Datum publicatie
- 29 maart 2024
- Zaaknummer
- 22/00835
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2024:512
Samenvatting
Openlijke geweldpleging bij avondklokrellen (coronarellen) in Eindhoven in 2021, art. 141.1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklacht. Kon hof redengevend voor bewijs achten dat verdachte aanwezig was op locatie waar noodbevel en gebiedsverbod gold op grond waarvan centrum van stad direct diende te worden verlaten, terwijl uit bewijsmiddelen niet zou blijken dat verdachte zich ervan bewust was dat ter plekke een noodbevel en gebiedsverbod gold? HR: Om redenen vermeld in CAG faalt middel. CAG: Uit b.m. blijkt dat verdachte vanaf 14:00 uur tot 16:33 uur op pleinen in centrum is geweest, alwaar matrixbord stond, terwijl ter plaatse vanaf 14:00 uur door Mobiele Eenheid met waterwerpers en traangas is geprobeerd mensen van deze pleinen weg te drijven. Voorts volgt uit de door verdachte gemaakte filmpjes en hetgeen verdachte daarover in e.a. en in hoger beroep heeft verklaard, dat verdachte wist dat traangas werd ingezet. Gelet hierop volgt uit ’s hofs bewijsvoering evident dat verdachte zich bewust moet zijn geweest van feit dat hij zich niet ter plaatse mocht ophouden en die plek diende te verlaten. Dat hof de verdachte heeft tegengeworpen dat hij zich desondanks niet heeft onttrokken aan die omgeving (en aan geweldplegingen) is niet onbegrijpelijk.
Volgt verwerping.
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 8 maart 2022
ECLI:NL:GHSHE:2022:700Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 13 februari 2024
ECLI:NL:PHR:2024:157Hoge Raad · 2 april 2024deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2024:512
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/00835
Datum 2 april 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 8 maart 2022, nummer 20-001444-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de bewijsvoering van de door het hof bewezenverklaarde openlijke geweldpleging.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 24 januari 2021 te Eindhoven openlijk, te weten op of aan de openbare wegen het Stationsplein en het 18 Septemberplein, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten politieambtenaren of ordehandhavers, en tegen goederen, welk geweld bestond uit het opzettelijk
- los trekken van bestrating en/of ter hand nemen van straatklinkers en/of stenen en
- gooien van stenen en/of straatklinkers en/of (andere) voorwerpen naar de Mobiele Eenheid en
- vernielen en/of schoppen en/of trappen tegen een camerapaal en
- schoppen en/of slaan tegen een voertuig van ProRail (eigendom van Leaseplan Nederland N.V.) en/of omver gooien van dat voertuig en
- ter hand nemen en/of ontsteken van vuurwerk en/of het gooien van dat vuurwerk in een voertuig van de mobiele eenheid en/of in een voertuig van ProRail en/of het in brand steken van dat voertuig en
- filmend met medeverdachten lopen en/of rennen door de binnenstad van Eindhoven en het plunderen van een voertuig van ProRail en het getalsmatig versterken van de groep relschoppers en het meebewegen in de aanvalsgolven van die medeverdachten.”
Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in (de aanvulling op) het arrest van het hof. Verder heeft het hof in zijn arrest een bewijsoverweging opgenomen zoals weergegeven in de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal onder 2.3.
Het cassatiemiddel faalt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal onder 2.
3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zes maanden.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze vijf maanden en drie weken beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 april 2024.