Strafrecht overig
Voorhanden hebben van patroonmagazijn en kogelpatronen (art. 26.1 WWM). Hof heeft verdachte n-o verklaard in…
ECLI:NL:HR:2024:596 · Hoge Raad · 16 april 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2024-596
Zaakgegevens
Op 16 april 2024 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 16 april 2024
- Datum publicatie
- 15 april 2024
- Zaaknummer
- 22/00990
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2024:596
Samenvatting
Voorhanden hebben van patroonmagazijn en kogelpatronen (art. 26.1 WWM). Hof heeft verdachte n-o verklaard in zijn hoger beroep, omdat het te laat is ingesteld, art. 408.2 Sv. Kan akte van uitreiking worden aangemerkt als omstandigheid waaruit voortvloeit dat einduitspraak de verdachte bekend is a.b.i. art. 408.2 Sv, nu in akte van uitreiking enkel parketnummer van vonnis politierechter en persoonsgegevens van verdachte zijn vermeld maar daaraan geen mededeling uitspraak is gehecht? Verdachte is in eerste aanleg bij verstek veroordeeld, inleidende dagvaarding is niet in persoon aan hem uitgereikt, vonnis Pr is uitgesproken op 7-10-2020 en namens verdachte is op 7-4-2021 h.b. ingesteld. Bij stukken bevindt zich akte van uitreiking van 15-3-2021 waarin parketnummer van strafzaak in e.a. en persoonsgegevens van verdachte zijn vermeld maar waaraan geen mededeling van uitspraak is gehecht. ‘s Hofs oordeel dat vonnis Pr van 7-10-2020 op 15-3-2021 aan verdachte in persoon is betekend en zich dus omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat einduitspraak de verdachte toen bekend was, is niet zonder meer begrijpelijk. In akte van uitreiking zijn immers slechts parketnummer van dat vonnis en persoonsgegevens van verdachte vermeld, terwijl daaruit niet blijkt welk stuk aan verdachte is uitgereikt en evenmin ‘mededeling uitspraak’ aan die akte is gehecht.
Volgt vernietiging en terugwijzing.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 27 februari 2024
ECLI:NL:PHR:2024:113Hoge Raad · 16 april 2024deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2024:596
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/00990
Datum 16 april 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 maart 2022, nummer 21-001653-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, en P. van Dongen, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2 Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het hoger beroep omdat het hoger beroep te laat is ingesteld.
De stukken die voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang zijn, zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.4. Kort samengevat houden deze in dat de verdachte in eerste aanleg bij verstek is veroordeeld, de inleidende dagvaarding niet in persoon aan hem is uitgereikt, het vonnis in eerste aanleg is uitgesproken op 7 oktober 2020 en namens de verdachte hoger beroep is ingesteld op 7 april 2021. Verder bevindt zich bij de stukken een akte van uitreiking van 15 maart 2021 waarin onder meer het parketnummer van de strafzaak in eerste aanleg en de persoonsgegevens van de verdachte zijn vermeld, maar waaraan geen mededeling van de uitspraak is gehecht.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 maart 2022 houdt onder meer in:
“De voorzitter stelt ambtshalve de ontvankelijkheid van het namens verdachte ingestelde hoger beroep aan de orde en deelt het volgende mee:
Op 13 juni 2020 is de dagvaarding om ter terechtzitting in eerste aanleg van 7 oktober 2020 te verschijnen uitgereikt aan een huisgenoot van verdachte op het adres waar verdachte destijds stond ingeschreven. De politierechter heeft vervolgens de zaak ter zitting van 7 oktober 2020 bij verstek behandeld en diezelfde dag vonnis gewezen. Op 15 maart 2020 (de Hoge Raad begrijpt: 2021) is blijkens de daarvan opgemaakte akte de uitspraak door de politie in persoon aan verdachte medegedeeld. Op bedoelde akte staat het parketnummer van onderhavige zaak vermeld alsmede dat verdachte niet wilde tekenen. Nu aan verdachte wel op 15 maart 2020 (de Hoge Raad begrijpt: 2021) de uitspraak van politierechter van 7 oktober 2020 bekend was, kon hij uiterlijk op 29 maart 2020 (de Hoge Raad begrijpt: 2021) hoger beroep tegen het vonnis instellen. Het hoger beroep is echter eerst ingesteld op 7 april 2020 (de Hoge Raad begrijpt: 2021). De vraag is nu of verdachte in het hoger beroep kan worden ontvangen.
(...)
De verdachte verklaart desgevraagd als volgt:
De politie heeft niet gezegd waar ik voor moest tekenen en dat stond ook niet op het stuk waarop ik heb getekend.
De raadsman voert het woord:
Op de akte staat niet om welk document het gaat waar mijn cliënt voor moest tekenen.”
Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en daartoe overwogen:
“Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het vonnis waarvan beroep is op 15 maart 2021 aan verdachte in persoon betekend. Verdachte kon volgens de wet gedurende veertien dagen daarna tegen het vonnis hoger beroep instellen. Het hoger beroep is pas na het verstrijken van die termijn ingesteld, te weten op 7 april 2021. Daarom zal verdachte niet ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.”
De hiervoor onder 2.2.1 bedoelde akte van uitreiking houdt onder meer in:
“Datum: 15/3/2021 Omstreeks: 02:00 uur
Uitgereikt door
Naam verbalisant/ (...)
inrichtingsmedewerker :
Uitgereikt aan
naam: [verdachte]
voornaam: [verdachte]
geboortedatum: [geboortedatum] 1974
geboorteplaats: [geboorteplaats]
adres: [a-straat 1]
woonplaats: [plaats]
parketnummer: 16-103403-20
Aldus op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt
De verbalisant/inrichtingsmedewerker De betrokkene
(...) wilde niet tekenen
(handtekening) (handtekening)”
Het oordeel van het hof dat het vonnis van de politierechter van 7 oktober 2020 op 15 maart 2021 aan de verdachte in persoon is betekend en zich dus een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte toen bekend was, is niet zonder meer begrijpelijk. In de akte van uitreiking zijn immers slechts het parketnummer van dat vonnis en de persoonsgegevens van de verdachte vermeld, terwijl daaruit niet blijkt welk stuk aan de verdachte is uitgereikt en evenmin een ‘mededeling uitspraak’ aan die akte is gehecht.
Het cassatiemiddel slaagt.
3 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 april 2024.