Strafrecht overig
Medeplegen hennepteelt (art. 3B Opiumwet) en diefstal in vereniging d.m.v. verbreking (art. 311.1 Sr)…
ECLI:NL:HR:2024:597 · Hoge Raad · 23 april 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2024-597
Zaakgegevens
Op 23 april 2024 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 23 april 2024
- Datum publicatie
- 15 april 2024
- Zaaknummer
- 22/04600
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2024:597
Samenvatting
Medeplegen hennepteelt (art. 3B Opiumwet) en diefstal in vereniging d.m.v. verbreking (art. 311.1 Sr). Hoofdelijkheid bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. Heeft hof bij oplegging van schadevergoedingsmaatregel verzuimd in dictum te vermelden dat sprake is van hoofdelijkheid?
HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft vordering benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en daarnaast schadevergoedingsmaatregel opgelegd. In dictum heeft hof vervolgens bij vordering b.p. overwogen dat hof vordering ‘waarvoor verdachte met mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is’ tot genoemd bedrag toewijst. Nadat hof vervolgens ook schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd heeft het bepaald dat ‘indien en v.zv. verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt’. In beide zinsnedes, samengenomen, is tot uitdrukking gebracht dat verdachtes betalingsverplichting aan Staat komt te vervallen indien zijn mededader die schade aan b.p. heeft vergoed.
Volgt verwerping. Samenhang met 22/04599 (niet gepubliceerd; art. 80a RO).
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 7 december 2022
ECLI:NL:GHSHE:2022:4594Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 5 maart 2024
ECLI:NL:PHR:2024:447Hoge Raad · 23 april 2024deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2024:597
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04600
Datum 23 april 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 december 2022, nummer 20-004037-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel niet in het dictum heeft vermeld dat sprake is van hoofdelijkheid.
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 15 tot en met 19.
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 april 2024.