Strafrecht overig

Diefstal, art. 310 Sr. Vordering tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf…

Zaakgegevens

Op 18 juni 2024 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18 juni 2024
Datum publicatie
24 april 2024
Zaaknummer
22/02669
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:658
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Diefstal, art. 310 Sr. Vordering tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. Heeft hof ten onrechte tul bevolen van voorwaardelijk opgelegde straf, nu die al ten uitvoer was gelegd?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 9 april 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:314
  2. Hoge Raad · 18 juni 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:658

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/02669

Datum 18 juni 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 15 juli 2022, nummer 20-001059-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.W. Heemskerk, advocaat te Roermond, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juni 2024.