Strafrecht overig

Rijden onder invloed van verdovende middelen (art. 8.5 WVW 1994) en rijden terwijl rijbewijs is ingevorderd…

Zaakgegevens

Op 2 september 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
2 september 2025
Datum publicatie
29 augustus 2025
Zaaknummer
24/01520
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:1217
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Rijden onder invloed van verdovende middelen (art. 8.5 WVW 1994) en rijden terwijl rijbewijs is ingevorderd (art. 9.7 WVW 1994). Strafmotivering (voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 weken en ontzegging van rijbevoegdheid van 6 maanden). Kon hof oordelen dat taakstrafverbod van toepassing is? Art. 22b.2 Sr.

HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Hof heeft in zijn strafmotivering overwogen dat taakstrafverbod van toepassing is a.g.v. veroordeling door politierechter en de in dat kader uitgevoerde taakstraf. Uit uittreksel justitiële documentatie kan worden afgeleid dat verdachte bij vonnis van 8-11-2019 door Pr t.z.v. overtreding van art. 7.1 en 9.5 Wegenverkeerswet 1994 is veroordeeld tot taakstraf van 30 uren. Dit vonnis is op 23-11-2019 onherroepelijk geworden. T.a.v. uitvoering van deze taakstraf blijkt uit uittreksel dat deze heeft plaatsgevonden in periode van 23-11-2019 tot en met 25-5-2022. Dit betekent dat taakstraf nog niet (volledig) was verricht (noch dat tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis was bevolen) op moment dat feiten in onderhavige zaak werden gepleegd (op 24-9-2020). ‘s Hofs oordeel dat aan verdachte o.g.v. art. 22b Sr geen taakstraf kan worden opgelegd, geeft dan ook blijk van onjuiste rechtsopvatting. Gelet op doorslaggevende invloed van toepasselijkheid van taakstrafverbod in ’s hofs strafmaatoverwegingen is strafoplegging niet toereikend gemotiveerd.

Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. strafoplegging en terugwijzing.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 24 juni 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:719
  2. Hoge Raad · 2 september 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:1217

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/01520

Datum 2 september 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 9 april 2024, nummer 23-002335-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat H.M.W. Daamen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat het taakstrafverbod van artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

3.2

Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 14 tot en met 21.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 september 2025.