Strafrecht overig
Beklag, beslag ex art. 94 Sv op geldbedrag van € 5.000 onder ander dan klager t.z.v. verdenking van poging…
ECLI:NL:HR:2025:1312 · Hoge Raad · 7 oktober 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2025-1312
Zaakgegevens
Op 7 oktober 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 7 oktober 2025
- Datum publicatie
- 16 september 2025
- Zaaknummer
- 24/00670
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2025:1312
Samenvatting
Beklag, beslag ex art. 94 Sv op geldbedrag van € 5.000 onder ander dan klager t.z.v. verdenking van poging tot gekwalificeerde doodslag (ripdeal), waarna strafrechter in zijn strafzaak de klager heeft vrijgesproken en in strafzaak tegen medeverdachte het geldbedrag verbeurd heeft verklaard. Ontvankelijkheid cassatieberoep.
Uit door A-G ingewonnen inlichtingen blijkt dat geldbedrag waarvan klager teruggave verzoekt, bij arrest van hof van 31-3-2022 in strafzaak tegen medeverdachte van klager is verbeurdverklaard. Tegen dit arrest is geen beroep in cassatie ingesteld, zodat dit op 15-4-2022 onherroepelijk is geworden. Nu al op moment van indiening van klaagschrift a.b.i. art. 552a Sv (op 3-7-2023) betreffend geldbedrag bij inmiddels uitvoerbare beslissing t.l.v. ander was verbeurdverklaard, is er geen aanleiding om dit klaagschrift op te vatten als klaagschrift a.b.i. art. 552b Sv (vgl. HR:1993:ZC9284). Deze beslissing over beslag in strafzaak tegen medeverdachte van klager betekent dat klager geen belang heeft bij beroep tegen beschikking waarbij klaagschrift ongegrond is verklaard. In beschikking is immers naar zijn aard een beslissing gegeven in afwachting van oordeel van strafrechter over beslag op geldbedrag. Door diens op 15-4-2022 onherroepelijk geworden beslissing tot verbeurdverklaring in strafzaak tegen medeverdachte van klager, kan op klaagschrift geen (andersluidende) beslissing meer volgen.
Klager n-o.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 1 juli 2025
ECLI:NL:PHR:2025:712Hoge Raad · 7 oktober 2025deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2025:1312
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00670 B
Datum 7 oktober 2025
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 19 december 2023, nummer RK 000526-23, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de klager.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft de advocaat J. Kuijper bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de klager niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Bij een op 3 juli 2023 op de griffie van het gerechtshof Amsterdam ingediend klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is door de klager om teruggave verzocht van een onder een ander dan de klager inbeslaggenomen geldbedrag van € 5.000. Daartoe is door de klager onder meer gesteld dat dit geldbedrag hem toebehoort. Het hof heeft het klaagschrift bij beschikking van 19 december 2023 ongegrond verklaard.
Uit door de advocaat-generaal ingewonnen inlichtingen, zoals vermeld in zijn conclusie onder 3.1, blijkt dat het geldbedrag waarvan de klager teruggave verzoekt, bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 31 maart 2022 in de strafzaak tegen de medeverdachte van de klager is verbeurdverklaard. Tegen dit arrest is geen beroep in cassatie ingesteld, zodat dit op 15 april 2022 onherroepelijk is geworden. Nu al op het moment van indiening van het klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv het betreffende geldbedrag bij inmiddels uitvoerbare beslissing ten laste van een ander was verbeurdverklaard, is er geen aanleiding om dit klaagschrift op te vatten als een klaagschrift als bedoeld in artikel 552b Sv (vgl. HR 23 november 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9284).
Deze beslissing over het beslag in de strafzaak tegen de medeverdachte van de klager betekent dat de klager geen belang heeft bij het beroep tegen de beschikking waarbij het klaagschrift ongegrond is verklaard. In de beschikking is immers naar zijn aard een beslissing gegeven in afwachting van het oordeel van de strafrechter over het beslag op het geldbedrag. Door diens op 15 april 2022 onherroepelijk geworden beslissing tot verbeurdverklaring in de strafzaak tegen de medeverdachte van de klager, kan op het klaagschrift geen (andersluidende) beslissing meer volgen.
3 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 oktober 2025.