Strafrecht overig
Beschikking. Verzoekschrift tot aanwijzing van ander gerecht, art. 510.1 Sv. Tegen betrokkenen is aangifte…
ECLI:NL:HR:2025:1632 · Hoge Raad · 4 november 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2025-1632
Zaakgegevens
Op 4 november 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 4 november 2025
- Datum publicatie
- 30 oktober 2025
- Zaaknummer
- 25/03518
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2025:1632
Samenvatting
Beschikking. Verzoekschrift tot aanwijzing van ander gerecht, art. 510.1 Sv. Tegen betrokkenen is aangifte gedaan t.z.v. onder meer schending van ambtsgeheim, art. 272.1 Sr.
Uit de bij verzoekschrift overgelegde stukken blijkt: a. dat tegen betrokkenen aangifte is gedaan dat deze zich hebben schuldig gemaakt aan strafbare feiten; en b. dat betrokkenen op het moment van de in aangifte bedoelde feiten rechterlijk ambtenaar a.b.i. art. 510.1 Sv waren. Daaruit volgt dat verzoek, gelet op art. 510 Sv, vatbaar is voor toewijzing.
HR wijst Rb Zeeland-West-Brabant aan als gerecht waarvoor, als OM bij die Rb dit nodig oordeelt, vervolging en berechting van zaak zullen plaatshebben.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 14 oktober 2025
ECLI:NL:PHR:2025:1115Hoge Raad · 4 november 2025deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2025:1632
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/03518 B
Datum 4 november 2025
BESCHIKKING
op het verzoekschrift van de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Rotterdam, ingekomen bij de Hoge Raad op 29 september 2025, tot aanwijzing van een ander gerecht als bedoeld in artikel 510 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering in de zaak
betreffende
[betrokkene] ,
thans officier van justitie bij het landelijk parket,
en anderen,
hierna: de betrokkenen.
1 Het verzoek
De hoofdofficier van justitie heeft zich tot de Hoge Raad gewend met het verzoek op grond van artikel 510 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) een rechtbank aan te wijzen voor de vervolging en berechting van de betrokkenen.
2 De conclusie van de procureur-generaal
De procureur-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek.
3 Beoordeling van het verzoek
Uit de bij het verzoekschrift overgelegde stukken blijkt:
a. dat tegen de betrokkenen aangifte is gedaan dat deze zich hebben schuldig gemaakt aan strafbare feiten;
b. dat de betrokkenen op het moment van de in de aangifte bedoelde feiten rechterlijk ambtenaar in de zin van artikel 510 lid 1 Sv waren.
Daaruit volgt dat het verzoek, gelet op artikel 510 Sv, vatbaar is voor toewijzing.
4 Beslissing
De Hoge Raad wijst de rechtbank Zeeland-West-Brabant aan als gerecht waarvoor, als het openbaar ministerie bij die rechtbank dit nodig oordeelt, de vervolging en berechting van de zaak zullen plaatshebben.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en vastgesteld in raadkamer op 4 november 2025.