Strafrecht overig
In werking zijnde methamfetaminelabs (chrystal meth) in boerderijen in Friesland en Groningen. Medeplegen…
ECLI:NL:HR:2025:1673 · Hoge Raad · 11 november 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2025-1673
Zaakgegevens
Op 11 november 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 11 november 2025
- Datum publicatie
- 10 november 2025
- Zaaknummer
- 23/02394
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2025:1673
Samenvatting
In werking zijnde methamfetaminelabs (chrystal meth) in boerderijen in Friesland en Groningen. Medeplegen bereiden en vervaardigen van methamfetaminel (art. 2.B en 2.D Opiumwet) en medeplegen voorbereidingshandelingen m.b.t. dat feit (art. 10a.1.3 jo. 10.4 Opiumwet) in Friesland en medeplegen dumpen van afvalstoffen, die vrijkomen bij productieproces van synthetische drugs, in sloot naast drugslab in Groningen (art. 6.2.1 Waterwet (oud)). Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklachten drugslab in Friesland t.a.v. aanwezigheid van verdachte en in nadere bewijsoverwegingen genoemde omstandigheid (verklaring van eigenaar van boerderij). 2. Bewijsklachten drugslab in Groningen t.a.v. wetenschap van verdachte dat er ter plekke afval werd afgevoerd d.m.v. buis naar sloot.
Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft bewezenverklaring, anders dan steller van middel tot uitgangspunt neemt, niet slechts gebaseerd op enkele aanwezigheid van verdachte in boerderij in Friesland. Dit betekent dat klacht feitelijke grondslag mist. Hof heeft door verdachte aangedragen alternatief scenario voor zijn aanwezigheid in boerderij in Friesland (om meubels in elkaar te zetten en opzetten van masker omdat het erg stoffig was) als niet aannemelijk terzijde geschoven. Eerste 2 gronden die hof daarvoor noemt, te weten dat verdachte dit op geen enkele wijze heeft onderbouwd en dat dossier geen aanknopingspunten biedt voor stelling dat er kluswerkzaamheden zijn verricht in woongedeelte van boerderij of dat kasten en meubels in elkaar zijn gezet, kunnen verwerping van dit verweer zelfstandig dragen. Klacht omtrent verklaring van eigenaar van boerderij kan dus hoe dan ook niet tot cassatie leiden.
Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Verdachte en zijn medeverdachte zijn aangetroffen in werkend drugslab vanuit welk lab via buis het afval van productie direct in naastgelegen watergang werd geloosd. Verdachte heeft aangegeven dat hij eerder in de maand al voor langere periode aanwezig is geweest op deze locatie en uit bewijsvoering blijkt dat verdachte een belangrijke rol had bij het inrichten van lab. Tegen deze achtergrond kon hof oordelen dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte op de hoogte was van feit dat via buis het afval van drugsproductie werd geloosd in nabijgelegen water en dat hij zich samen met zijn medeverdachte(n) schuldig heeft gemaakt aan het in vereniging opzettelijk lozen van stoffen in strijd met art. 6.2.1 Waterwet (oud).
Volgt verwerping.
Procesgang
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 13 juni 2023
ECLI:NL:GHARL:2023:4984Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 2 september 2025
ECLI:NL:PHR:2025:835Hoge Raad · 11 november 2025deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2025:1673
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/02394
Datum 11 november 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 juni 2023, nummer 21-004697-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat S.J. van der Woude bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) het onder 1 en 2 bewezenverklaarde.
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.
3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) het onder 6 bewezenverklaarde.
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.
4 Beoordeling van het derde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vijf jaren.
6 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze vier jaren en negen maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 november 2025.