Strafrecht overig

Moord door in 2020 in Oostburg een ander te wurgen (art. 289 Sr) en vervolgens lijk te verbergen in haar…

Zaakgegevens

Op 18 februari 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18 februari 2025
Datum publicatie
10 februari 2025
Zaaknummer
24/02028
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:200
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Moord door in 2020 in Oostburg een ander te wurgen (art. 289 Sr) en vervolgens lijk te verbergen in haar winkel (art. 151 Sr).

HR: art. 80a RO, zonder schriftelijk standpunt AG.

Procesgang

  1. Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 30 november 2022

    ECLI:NL:RBZWB:2022:7144
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 22 mei 2024

    ECLI:NL:GHSHE:2024:1720

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  3. Hoge Raad · 18 februari 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:200

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/02028

Datum 18 februari 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 22 mei 2024, nummer 20-002815-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.J.J. van Rijsbergen, advocaat in Breda, een schriftuur ingediend.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen. De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 februari 2025.