Strafrecht overig

Openlijke geweldpleging (meermalen gepleegd) op straat na ruzie in rokersruimte van café, art. 141.1 Sr…

Zaakgegevens

Op 18 februari 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18 februari 2025
Datum publicatie
14 februari 2025
Zaaknummer
22/02501
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:267
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Openlijke geweldpleging (meermalen gepleegd) op straat na ruzie in rokersruimte van café, art. 141.1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklachten in vereniging plegen en opzet. 2. Bewijsklacht en noodweer, art. 41.1 Sr. Moeten gedragingen van verdachte niet als verdedigend maar als aanvallend worden beschouwd? 3. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt t.a.v. betrouwbaarheid van verklaringen van aangevers, art. 359.2 Sv.

Ad 1., 2. en 3. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: 1. Bewijsvoering biedt voldoende grond voor vaststelling dat verdachte geweldshandelingen heeft gepleegd tegen aangever. Daarmee is tevens toereikend gemotiveerd dat verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan geweld tegen aangever om te kunnen spreken van het “in vereniging” plegen van geweld. Hof heeft niet onbegrijpelijk geoordeeld dat in feit dat verdachte heeft verklaard dat “iedereen” in gevecht betrokken was, besloten ligt dat verdachte opzet had op het in vereniging plegen van geweld. 2. Hof heeft zijn oordeel dat gedragingen van verdachte als aanvallend kunnen worden aangemerkt, gegrond op feit dat (i) verdachte zelf heeft verklaard dat hij achter aangever is aangerend om hem (vast) te pakken en (ii) dossier geen aanknopingspunten biedt dat aangever als eerste klap aan verdachte heeft uitgedeeld. Verwerping van beroep op noodweer is toereikend gemotiveerd. 3. Nu hof het aangevoerde kennelijk en niet onbegrijpelijk niet heeft opgevat als uos, hoefde hof in zijn uitspraak niet in te gaan op betrouwbaarheid van verklaringen van aangevers.

Volgt verwerping. Samenhang met 22/02416 en 24/02723.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 30 juni 2022

    ECLI:NL:GHAMS:2022:1940
  2. Conclusie A-G · 19 november 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:1144
  3. Hoge Raad · 18 februari 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:267

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/02501

Datum 18 februari 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 30 juni 2022, nummer 23-000164-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

Namens de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft mr. F.J.M. Hamers, advocaat in Rotterdam, een verweerschrift ingediend.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel

2.1

Het eerste cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde. Het tweede cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde en over de verwerping van het beroep op noodweer. Het derde cassatiemiddel klaagt dat het hof in strijd met artikel 359 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de bruikbaarheid voor het bewijs van de verklaringen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2].

2.2

De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4 tot en met 7.

3 Beoordeling van het vierde en het vijfde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van honderdzestig uren, subsidiair tachtig dagen vervangende hechtenis.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;

- vermindert het aantal uren taakstraf in die zin dat de taakstraf 144 uren beloopt, subsidiair 72 dagen hechtenis;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 februari 2025.