Strafrecht overig

Voorbereidingshandelingen m.b.t. productie van MDMA en amfetamine, art. 10a.1.3 jo. 10.4 en 2.B Opiumwet. Is…

Zaakgegevens

Op 11 maart 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11 maart 2025
Datum publicatie
5 maart 2025
Zaaknummer
23/02398
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:355
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Voorbereidingshandelingen m.b.t. productie van MDMA en amfetamine, art. 10a.1.3 jo. 10.4 en 2.B Opiumwet. Is ’s hofs beslissing in het openbaar uitgesproken, nu uitspraak p-v ontbreekt? Art. 362.1 Sv. Uit stukken blijkt niet dat ‘s hofs beslissing overeenkomstig art. 362.1 jo. 415.1 Sv in het openbaar is uitgesproken. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat dit niet is gebeurd. HR zal doen wat hof had moeten doen en zelf ‘s hofs beslissing op openbare tz. uitspreken.

Volgt verwerping.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 16 juni 2023

    ECLI:NL:GHSHE:2023:3471
  2. Conclusie A-G · 17 december 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:1372
  3. Hoge Raad · 11 maart 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:355

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/02398

Datum 11 maart 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 juni 2023, nummer 20-003116-15, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft E.E.W.J. Maessen, advocaat in Maastricht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat de bestreden beslissing niet in het openbaar is uitgesproken.

3.2

Uit de stukken blijkt niet dat de beslissing van het hof overeenkomstig artikel 362 lid 1 in samenhang met artikel 415 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering in het openbaar is uitgesproken. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat dit niet is gebeurd. Het cassatiemiddel klaagt daarover terecht.

3.3

De Hoge Raad zal doen wat het hof had moeten doen en zelf de beslissing van het hof op de openbare terechtzitting uitspreken.

4 Beoordeling van het derde cassatiemiddel

4.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

4.2

Het cassatiemiddel is gegrond. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

5 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 maart 2025.