Strafrecht overig

Economische zaak. Arbeidsongeval op schip waarbij bemanningslid tijdens laswerkzaamheden in laadpijp als…

Zaakgegevens

Op 18 maart 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18 maart 2025
Datum publicatie
17 maart 2025
Zaaknummer
22/03752
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:410
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Economische zaak. Arbeidsongeval op schip waarbij bemanningslid tijdens laswerkzaamheden in laadpijp als gevolg van het starten van waterpomp is verdronken, art. 32 Arbeidsomstandighedenwet jo. art. 3.17 Arbeidsomstandighedenbesluit. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten. Heeft verdachte gehandeld in strijd met art. 3.17 Arbobesluit door gevaar voor werknemers die laswerkzaamheden uitvoeren in laadpijp om te worden getroffen door water dat door pijpleiding wordt gepompt, niet zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te beperken, en heeft verdachte bemanningsleden arbeid laten verrichten, terwijl zij zonder opdracht daartoe en op eigen initiatief hebben gehandeld? HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie.

Volgt verwerping. Samenhang met 22/03751 E.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 28 september 2022

    ECLI:NL:GHAMS:2022:3475
  2. Conclusie A-G · 26 november 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:1273
  3. Conclusie A-G · 26 november 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:1436
  4. Hoge Raad · 18 maart 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:410

  5. Hoge Raad · 18 maart 2025

    ECLI:NL:HR:2025:411

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/03752 E

Datum 18 maart 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam, economische kamer, van 28 september 2022, nummer 23-001617-20, in de strafzaak

tegen

[verdachte] B.V. ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft L.E.G. van der Hut, advocaat in Den Haag, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel komt met verschillende deelklachten op tegen de bewezenverklaring.

2.2

Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 10 tot en met 48.

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde geldboete van € 10.000.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete;

- vermindert de geldboete in die zin dat deze € 9.000 bedraagt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering, H.G. Sevenster, C.N. Dalebout en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 maart 2025.