Strafrecht overig

Diefstal (art. 310 Sr) en opzetheling (art. 416.1.a Sr). Vordering tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde…

Zaakgegevens

Op 1 april 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
1 april 2025
Datum publicatie
28 maart 2025
Zaaknummer
23/03884
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:490
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Diefstal (art. 310 Sr) en opzetheling (art. 416.1.a Sr). Vordering tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. Heeft hof beslissing op tul vordering gemotiveerd? Deze beslissing is, anders dan art. 6:6:5.1 jo. 6:6:21.1 Sv vereist, niet gemotiveerd.

Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. beslissing op tul vordering en terugwijzing.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 5 oktober 2023

    ECLI:NL:GHDHA:2023:2969
  2. Conclusie A-G · 18 februari 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:197
  3. Hoge Raad · 1 april 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:490

    (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/03884

Datum 1 april 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 5 oktober 2023, nummer 22-003388-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.J.G. Schroeder, advocaat in ’s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, en tot terugwijzing naar het gerechtshof Den Haag opdat de zaak wat betreft de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het eerste en het derde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging niet is gemotiveerd.

3.2.1

De verdachte is veroordeeld voor diefstal en opzetheling tot een gevangenisstraf van één maand.

3.2.2

In het door het hof in zoverre bevestigde vonnis van de politierechter is de vordering tot tenuitvoerlegging toegewezen. Dat vonnis houdt daarover uitsluitend in:

“Tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte, groot 6 weken, van de bij vonnis van 5 december 2019 van de politierechter aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf.”

3.3

Deze beslissing is, anders dan artikel 6:6:5 lid 1 in samenhang met artikel 6:6:21 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering vereist, niet gemotiveerd. Het cassatiemiddel is daarom terecht voorgesteld.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 april 2025.