Strafrecht overig
Rolbeslissing HR. Economische zaak. Vrijspraak in eerste aanleg t.z.v. medeplegen van het (in Tsjechië) op…
ECLI:NL:HR:2025:610 · Hoge Raad · 22 april 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2025-610
Zaakgegevens
Op 22 april 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 22 april 2025
- Datum publicatie
- 16 april 2025
- Zaaknummer
- 23/00675
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2025:610
Samenvatting
Rolbeslissing HR. Economische zaak. Vrijspraak in eerste aanleg t.z.v. medeplegen van het (in Tsjechië) op Europese markt brengen van teakhout uit Myanmar, terwijl niet is voldaan aan zorgvuldigheidseisen uit Europese Houtverordening, en witwassen van geld en teakhout, met onttrekking aan het verkeer van 65.780 kilogram teakhout, waarna OvJ hoger beroep instelt tegen vrijspraak en verdachte (vennootschap) beroep in cassatie instelt tegen onttrekking aan het verkeer, terwijl verdachte dat ook kon doen (vgl. HR:2010:BM9420). Verzoek om behandeling van cassatieberoep te schorsen tot hof uitspraak heeft gedaan op het door OvJ ingestelde h.b., art. 427.4 Sv. Nu tegen vonnis Rb zowel h.b. als cassatieberoep is ingesteld, schorst h.b. o.g.v. art. 427.4 Sv rechtsgevolgen van cassatieberoep.
Rolraadsheer schorst behandeling van cassatieberoep.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 11 februari 2025
ECLI:NL:PHR:2025:455Hoge Raad · 22 april 2025deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2025:610
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/00675 E
Datum 22 april 2025
ROLBESLISSING
naar aanleiding van het beroep in cassatie tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam, economische kamer, van 12 december 2022, nummer 81-052745-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten Th.O.M. Dieben en O.S. Pluimer bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. Daarbij is verzocht om de behandeling van het cassatieberoep te schorsen tot het gerechtshof Amsterdam einduitspraak heeft gedaan op het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft in een rolconclusie geconcludeerd tot schorsing van de behandeling van het beroep in cassatie.
2 Beoordeling van het verzoek
De rechtbank heeft bij vonnis van 12 december 2022 onder meer de verdachte vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten en 65.780 kilogram teakhout onttrokken aan het verkeer verklaard. De officier van justitie heeft op 22 december 2022 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Op 23 december 2022 heeft de verdachte cassatieberoep doen instellen – en ook kunnen doen instellen (vgl. HR 14 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9420) – tegen dit vonnis ten aanzien van de onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen teakhout.
Artikel 427 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) luidt:
“Hoger beroep schorst de rechtsgevolgen van beroep in cassatie; indien in de lagere aanleg een uitspraak wordt gegeven over een of meer van de vragen, bedoeld in de artikelen 351 en 352 vervalt het ingestelde beroep in cassatie.”
Nu tegen het vonnis van de rechtbank zowel hoger beroep als cassatieberoep is ingesteld, schorst het hoger beroep op grond van artikel 427 lid 4 Sv de rechtsgevolgen van het cassatieberoep.
3 Beslissing
De rolraadsheer schorst de behandeling van het cassatieberoep.
Deze beslissing is gegeven door de raadsheer C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2025.