Strafrecht overig
Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. aanwezig hebben van amfetamine, cocaïne en GHB (art. 2.C Opiumwet)…
ECLI:NL:HR:2025:72 · Hoge Raad · 21 januari 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2025-72
Zaakgegevens
Op 21 januari 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 21 januari 2025
- Datum publicatie
- 13 januari 2025
- Zaaknummer
- 22/02859
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2025:72
Samenvatting
Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. aanwezig hebben van amfetamine, cocaïne en GHB (art. 2.C Opiumwet), rijden onder invloed van amfetamine en cocaïne (art. 8.5 WVW 1994) en verlaten plaats ongeval, meermalen gepleegd (art. 7.1.b WVW 1994). Ontvankelijkheid cassatieberoep, art. 432.1.a Sv. Is cassatieberoep tijdig ingesteld? In art. 432.1.a Sv is bepaald dat cassatieberoep moet worden ingesteld binnen 14 dagen na einduitspraak als dagvaarding of oproeping om op tz. te verschijnen of aanzegging of oproeping voor nadere tz. aan verdachte in persoon is gedaan of betekend. Volgens stukken is oproeping om op nadere tz. in hoger beroep te verschijnen aan verdachte in persoon betekend. Daarom had o.g.v. art. 432.1.a Sv cassatieberoep moeten worden ingesteld binnen 14 dagen na einduitspraak van hof van 27-6-2022. Beroep is echter pas ingesteld op 28-7-2022. Dit brengt mee dat HR het cassatieberoep niet in behandeling kan nemen.
Verdachte n-o. Samenhang met 22/02861 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o).
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 12 november 2024
ECLI:NL:PHR:2024:1164Hoge Raad · 21 januari 2025deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2025:72
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02859
Datum 21 januari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 27 juni 2022, nummer 22-002784-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.B. Lisi, advocaat in Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
In artikel 432 lid 1, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is bepaald dat het cassatieberoep moet worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak als de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend (uitgereikt).
Volgens de stukken is de oproeping om op de terechtzitting van het hof van 27 juni 2022 te verschijnen aan de verdachte in persoon betekend. Daarom had op grond van artikel 432 lid 1, aanhef en onder a, Sv het cassatieberoep moeten worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak van het hof van 27 juni 2022. Het beroep is echter pas ingesteld op 28 juli 2022. Dit brengt mee dat de Hoge Raad het cassatieberoep niet in behandeling kan nemen.
3 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 januari 2025.