Strafrecht overig

Verduistering, meermalen gepleegd (art. 321 Sr) en bedreiging met enig misdrijf tegen leven gericht (art…

Zaakgegevens

Op 13 mei 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13 mei 2025
Datum publicatie
12 mei 2025
Zaaknummer
22/03825
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:730
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Verduistering, meermalen gepleegd (art. 321 Sr) en bedreiging met enig misdrijf tegen leven gericht (art. 285.1 Sr). 1. Verjaring verduistering (feit 1), absolute verjaringstermijn (art. 70.1.2 jo. 72.2 Sr). 2. Verjaring bedreiging (feit 2), absolute verjaringstermijn (art. 70.1.2 jo. 72.2 Sr).

HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Ad 1. Onder 1 tlgd. is strafbaar gesteld in art. 321 Sr. Overtreding wordt bedreigd met gevangenisstraf van ten hoogste 3 jaren. (Absolute) verjaringstermijn beloopt o.g.v. art. 70.1.2 Sr jo. art. 72.2 Sr ten hoogste tweemaal 6 jaren (12 jaren). Tll. van feit 1 (subsidiair) houdt in dat feit (telkens) is begaan in periode van 27-9-2002 tot en met 22-9-2003. Recht tot strafvervolging voor onder 1 subsidiair tlgd. is derhalve wegens verjaring vervallen. Ad. 2. Onder 2 tlgd. is strafbaar gesteld in art. 285.1 Sr. Hierop was t.t.v. tlgd. feit gevangenisstraf gesteld van ten hoogste 2 jaren. Sinds i.w.tr. op 1-3-2022 van wet van 4-11-2021 (Stb. 2021, 544) wordt overtreding van art. 285.1 Sr bedreigd met gevangenisstraf van ten hoogste 3 jaren. O.g.v. art. 70.1.2 Sr jo. art. 72.2 Sr bedroeg (absolute) verjaringstermijn zowel onder oud als nieuw strafmaximum tweemaal 6 jaren (12 jaren). Tll. van feit 2 houdt in dat bedreiging is begaan op 18-9-2003. Recht tot strafvervolging van onder 2 tlgd. is wegens verjaring vervallen.

Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. verduistering, bedreiging en strafoplegging, n-o verklaring OM t.a.v. verduistering en bedreiging en terugwijzing t.a.v. strafoplegging voor ander feit (poging tot oplichting).

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 18 maart 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:270
  2. Hoge Raad · 13 mei 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:730

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/03825

Datum 13 mei 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 7 december 2006, nummer 22-000036-06, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de beslissing van het onder 1 subsidiair en onder 2 tenlastegelegde alsmede de strafoplegging en de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen, tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van het onder 1 subsidiair en onder 2 tenlastegelegde en tot terugwijzing naar het gerechtshof Den Haag opdat de zaak wat betreft de strafoplegging opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel voert aan dat wat betreft feit 1 subsidiair en feit 2 het recht tot strafvordering wegens verjaring is vervallen.

2.2

Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.2 tot en met 2.5.

2.3

De Hoge Raad zal wat betreft feit 1 subsidiair en feit 2 het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof en de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 21 december 2005, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde (daaronder begrepen de beslissingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen) en de strafoplegging;

- verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging wat betreft het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak wat betreft de strafoplegging voor het onder 3 bewezenverklaarde opnieuw wordt berecht en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 mei 2025.