Strafrecht overig
Openlijke geweldpleging tegen personen in horecagelegenheid, art. 141.1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg van…
ECLI:NL:HR:2025:833 · Hoge Raad · 10 juni 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2025-833
Zaakgegevens
Op 10 juni 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 10 juni 2025
- Datum publicatie
- 2 juni 2025
- Zaaknummer
- 23/00035
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2025:833
Samenvatting
Openlijke geweldpleging tegen personen in horecagelegenheid, art. 141.1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg van (primair tlgd.) openlijke geweldpleging met veroordeling voor (subsidiair tlgd.) mishandeling van 1 persoon. Bewijsklacht “in vereniging”. Kan “in vereniging” geweld plegen tegen personen uit bewijsvoering worden afgeleid? HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft niet alleen vastgesteld dat verdachte samen met ander in horecagelegenheid was maar ook dat er vechtpartij tussen 2 groepen ontstond en dat “geen van betrokkenen zich onbetuigd heeft gelaten”. Hof heeft daarmee kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat ook medeverdachte in vechtpartij verwikkeld is geraakt en daaraan bijdrage heeft geleverd, waarmee hof tot oordeel kon komen dat geweld in vereniging is gepleegd.
Volgt verwerping.
Procesgang
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 22 december 2022
ECLI:NL:GHARL:2022:11284Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 1 april 2025
ECLI:NL:PHR:2025:371Hoge Raad · 10 juni 2025deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2025:833
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/00035
Datum 10 juni 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 december 2022, nummer 21-002998-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.I. Takens en T.P.A.M. Wouters bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring van het “in vereniging” geweld plegen tegen personen niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal onder 3 tot en met 5 en 8 tot en met 11.
3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke taakstraf van twintig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
5 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juni 2025.