Strafrecht overig

Oplichting door sturen van vervalste facturen, art. 326.1 Sr. Vordering benadeelde partij t.a.v. materiële…

Zaakgegevens

Op 30 juni 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30 juni 2026
Datum publicatie
25 juni 2026
Zaaknummer
24/00701
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1028
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Oplichting door sturen van vervalste facturen, art. 326.1 Sr. Vordering benadeelde partij t.a.v. materiële schade, verweer dat reeds teruggeboekt bedrag in aftrek moet worden gebracht. Is toewijzing vordering b.p. toereikend gemotiveerd?

HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Hof heeft vordering b.p. toegewezen voor € 301.262. Dat is (omgerekend) bedrag dat b.p. heeft betaald voor vrijgave van goederen. Verdediging heeft aangevoerd dat op dit bedrag in mindering moet worden gebracht bedrag van € 115.539,88 dat onder verdachte in beslag is genomen en (volgens verdediging) terug is gestort naar b.p. Bij deze stand van zaken is hoogte van bedrag dat aan b.p. is toegewezen niet zonder meer begrijpelijk.

Volgt vernietiging en terugwijzing t.a.v. vordering b.p. en oplegging schadevergoedingsmaatregel.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 22 februari 2024

    ECLI:NL:GHSHE:2024:2446
  2. Conclusie A-G · 19 mei 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:410
  3. Hoge Raad · 30 juni 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:1028

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/00701

Datum 30 juni 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 22 februari 2024, nummer 20-002507-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft ertoe geconcludeerd

- de bestreden uitspraak te vernietigen, maar alleen voor wat betreft 1) de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, 2) de beslissing op de vordering van de [benadeelde] Ltd en 3) de ten behoeve van deze benadeelde partij opgelegde schadevergoedingsmaatregel,

- 1) de gevangenisstraf te verminderen naar de gebruikelijke maatstaf en 2) de zaak terug te wijzen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch opdat de zaak ten aanzien van de vordering van de [benadeelde] Ltd opnieuw wordt berecht en afgedaan en

- het beroep voor het overige te verwerpen.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) de beslissing van het hof op de vordering van de [benadeelde] Ltd en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Het voert daartoe aan dat een al naar de benadeelde partij teruggeboekt bedrag van € 115.539,88 in mindering had moeten worden gebracht.

3.2

Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.

4 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 1376 dagen, waarvan 720 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft
(i) de duur van de opgelegde gevangenisstraf, en
(ii) de beslissing op de door de [benadeelde] Ltd gevorderde schadevergoeding en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde] Ltd;

- vermindert de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze 1346 dagen, waarvan 720 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien van de onder (ii) genoemde beslissingen opnieuw wordt berecht en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2026.