Strafrecht overig
Voorhanden hebben van vuurwapen en munitie, art. 26.1 WWM. Verjaring van voorhanden hebben van munitie…
ECLI:NL:HR:2026:1179 · Hoge Raad · 7 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2026-1179
Zaakgegevens
Op 7 juli 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 7 juli 2026
- Datum publicatie
- 3 juli 2026
- Zaaknummer
- 22/04601
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:1179
Samenvatting
Voorhanden hebben van vuurwapen en munitie, art. 26.1 WWM. Verjaring van voorhanden hebben van munitie, absolute verjaringstermijn (art. 70.1.2 en 72.2 Sr).
HR ambtshalve: O.g.v. wat is vermeld in CAG is HR van oordeel dat feit is verjaard. HR zal wat betreft dit feit het OM n-o verklaren in vervolging. Voor verminderen van duur van opgelegde gevangenisstraf bestaat onvoldoende grond, omdat aard en ernst van wat overigens ten laste van verdachte is bewezenverklaard niet worden aangetast door deze gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring.
Volgt (partiële) vernietiging en n-o verklaring OM t.a.v. voorhanden hebben van munitie. Samenhang met 22/04549, 22/04578, 22/04598 en 22/04640 en met 22/04661 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o).
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 1 december 2022
ECLI:NL:GHSHE:2022:4830Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 12 mei 2026
ECLI:NL:PHR:2026:426Hoge Raad · 7 juli 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:1179
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04601
Datum 7 juli 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 december 2022, nummer 20-002168-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat H.M.W. Daamen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing over het onder 6 tenlastegelegde voorhanden hebben van munitie van categorie III en de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van het onder 6 tenlastegelegde voorhanden hebben van munitie van categorie III, tot vermindering van de duur van de gevangenisstraf aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zes jaren.
4 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
Op grond van wat is vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4 is de Hoge Raad van oordeel dat het onder 6 tenlastegelegde feit is verjaard voor zover dat betrekking heeft op het voorhanden hebben van munitie van categorie III.
De Hoge Raad zal wat betreft feit 6, voor zover dat betrekking heeft op het voorhanden hebben van munitie van categorie III, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging. Voor het verminderen van de duur van de opgelegde gevangenisstraf bestaat onvoldoende grond, omdat de aard en de ernst van wat overigens ten laste van de verdachte is bewezenverklaard niet worden aangetast door deze gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring.
5 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof en de uitspraak van de rechtbank Limburg van 7 juli 2017 wat betreft de beslissingen over het onder 6 tenlastegelegde voorhanden hebben van munitie van categorie III;
- verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging wat betreft het onder 6 tenlastegelegde voorhanden hebben van munitie van categorie III;
- vernietigt de uitspraak van het hof verder wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze vijf jaren en zes maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2026.