Strafrecht overig
Medeplegen mensenhandel door slachtoffer in prostitutie te laten werken (meermalen gepleegd), art. 273f.1.1…
ECLI:NL:HR:2026:1404 · Hoge Raad · 1 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2026-1404
Zaakgegevens
Op 1 september 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 1 september 2026
- Datum publicatie
- 31 augustus 2026
- Zaaknummer
- 24/00367
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:1404
Samenvatting
Medeplegen mensenhandel door slachtoffer in prostitutie te laten werken (meermalen gepleegd), art. 273f.1.1, 273f.1.4, 273f.1.6 en 273f.1.9 jo. 273f.3.1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklacht medeplegen. 2. Vordering benadeelde partij t.a.v. materiële schade en oplegging schadevergoedingsmaatregel. Is toewijzing vordering b.p. toereikend gemotiveerd, aangezien hof bij begroting van materiële schade niet in aanmerking heeft genomen dat b.p. € 100 heeft ontvangen voor kleding en schoenen?
Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG faalt middel. CAG: Hof heeft aan oordeel dat verdachte als medepleger kan worden aangemerkt ten grondslag gelegd dat (i) verdachte de medeverdachte en slachtoffer in huis heeft genomen, (ii) verdachte heeft voorgesteld om slachtoffer via website met mannen af te laten spreken en daar geld voor te krijgen, (iii) verdachte profijt heeft gehad van de door slachtoffer verkregen inkomsten en (iv) verdachte de rol van medeverdachte heeft overgenomen op moment dat medeverdachte in ziekenhuis lag en werksituatie van slachtoffer toen niet anders was. Op deze vaststellingen gegrond oordeel van hof dat sprake is van de voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG is klacht gegrond. CAG: Uit gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat slachtoffer € 100 heeft ontvangen voor kleding en schoenen. Hof heeft bij schatting van materiële geleden schade gebruikgemaakt van die tot bewijs gebezigde verklaringen van slachtoffer. Gelet daarop is niet zonder meer begrijpelijk dat hof niet ook rekening houdt met, uit diezelfde verklaringen blijkende, € 100.
Dat brengt mee dat ook oplegging van de in art. 36f Sr voorziene maatregel niet in stand kan blijven (vgl. HR:2019:901).
HR doet zaak zelf af en vermindert t.a.v. materiële schade toegewezen vordering b.p. en opgelegde schadevergoedingsmaatregel van € 11.590 met € 100. Samenhang met 24/00368 P.
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 26 januari 2024
ECLI:NL:GHSHE:2024:262Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 16 juni 2026
ECLI:NL:PHR:2026:592Hoge Raad · 1 september 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:1404
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00367
Datum 1 september 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 26 januari 2024, nummer 20-000376-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat L.E.G. van der Hut bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd:
- tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft i. de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en ii. de hoogte van de toegewezen vordering van de [benadeelde] en de daarmee overeenkomende hoogte van de samenhangende schadevergoedingsmaatregel, tot verlaging van beide bedragen met € 100,00, en
- tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) de bewezenverklaring onder 1.
Het cassatiemiddel faalt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.
3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel komt op tegen de toewijzing door het hof van de vordering van de [benadeelde] en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Het klaagt onder meer dat het hof bij de begroting van de materiële schade niet in aanmerking heeft genomen dat de benadeelde partij € 100 heeft ontvangen voor kleding en schoenen.
De klacht is gegrond. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.12 en 4.13. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen door het bedrag waarvoor de vordering van de benadeelde partij aan materiële schade is toegewezen, te verminderen met € 100. Dat brengt mee dat ook de oplegging van de in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht voorziene maatregel in zoverre niet in stand kan blijven (vgl. HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901).
De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van drie jaren.
5 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend
(i) wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en
(ii) voor zover de vordering van de [benadeelde] aan materiële schade is toegewezen tot een bedrag van € 11.590 en voor dat bedrag de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van dat slachtoffer is opgelegd;
- vermindert de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze twee jaren en negen maanden beloopt;
- bepaalt dat het bedrag waarvoor de vordering van de [benadeelde] aan materiële schade is toegewezen € 11.490 bedraagt en dat de schadevergoedingsmaatregel tot betaling aan de Staat ten aanzien van de materiële schade is opgelegd voor dat bedrag, en verklaart de vordering van de [benadeelde] met betrekking tot de materiële schade voor het overige niet-ontvankelijk;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Caminada als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 september 2026.